Het ‘Black Mountain College',

een Amerikaans avontuur

Ben Vollers

Dit was de naam van een expositie die ik in Madrid bezocht in 2002 in het Reina Sofia museum. Er hing daar werk van o.a. Willem de Kooning, Franz Kline, en Stamos. De catalogus en een kort foldertje waren enkel in het Spaans, dus het fijne begreep ik er niet van. Later kom je die naam weer tegen, zoals bij het lezen van de biografie van Willem de Kooning door Mark Stevens en Annalyn Swan. Daarom zet ik nu maar eens iets op papier daarover. Het Black Mountain College werd in 1933 gesticht in de bossen van North Carolina als een alternatieve en experimentele onderwijsinstelling met als doel, vernieuwing in het academisch onderwijs, o.a.door een speciale band tussen docent en student. Een verhouding waarin de student steeds zelfstandiger ging werken onder losse begeleiding van zijn docent, zoals tegenwoordig hier op onze Nederlandse academies min of meer gemeengoed is geworden. Hoewel alle disciplines en wetenschappen in het Black Mountain College waren vertegenwoordigd, was de afdeling van de Kunsten de meest prestigieuze. Alfred Barr, de directeur van het Museum of Modern Art, heeft er voor geijverd dat Josef Albers, een van de kopstukken van het ‘Bauhaus’, als hoofd hiervan werd aangesteld in 1933, aangezien deze met zijn vrouw uit Duitsland kwamen gevlucht voor het Hitler-regime, dat het Bauhaus in Berlijn had gesloten. Met name in het eerste decennium volgde het Black Mountain College de weg van het Bauhaus. Albers schiep hier tussen 1933 en 1949 een ontmoetingsplaats voor zowel Europese als Amerikaanse moderne kunstenaars. Naast leden van het Bauhaus als Walter Gropius en Lyonel Feiniger, doceerden er ook andere Europese kunstenaars zoals Ilya Bolotowsky, Amedee Ozenfant, Ossip Zadkine, en Anni Albers, de vrouw van Josef Albers.

De schilder Willem de Kooning werd in 1948 als docent uitgenodigd, als vervanging van de toen zieke Mark Tobey. Vervolgens werden ook andere bekende schilders als docent uitgenodigd, zoals Franz Kline ( als vervanger van De Kooning), Stamos, Motherwell, maar ook Ben Shahn, een verklaard tegenstander van abstracte kunst. Van de getalenteerde studenten kunnen genoemd worden: Elaine de Kooning, Robert Rauschenberg, Cy Twombly en Kenneth Noland

De tweede bloei van het Black Mountain College begon in 1948 met de komst van Charles Olson, als docent literatuur, voor het creatieve schrijven. Hiervoor en hierdoor werd in 1954 een blad gesticht, het ‘Black Mountain Review’. Dit blad vormde een platform van een groep Amerikaanse jonge schrijvers die zich verzetten tegen het academische formalisme van die tijd. Ook Allen Ginsberg heeft hier nog in geschreven. In diezelfde jaren werkten daar ook de musicus John Cage, en de choreograaf Merce Cunningham, naast de architect, wiskundige en ecoloog, Buckminster Fuller. Vooral de zomercursussen waren vaak multidisciplinaire experimenten. In 1952 organiseerden John Cage en Merce Cunningham samen met o.a. Robert Rauschenberg een theaterstuk ‘Number One’, als een vroeg voorbeeld van een ‘multimedia happening’. Laatst kwam ik op een fotografie-expositie van Cy Twombly in Amsterdam een serie foto’s tegen uit zijn Black Mountain College-tijd die hij samen met Robert Rauschenberg had gemaakt, o.a. van John Cage, en de werkplek van Willem de Kooning.

Vanaf de jaren 1954/1955 had zich een verval van gebouwen en campus ingezet. Maar ook kwamen er steeds minder studenten. In 1956 besloot men het College te sluiten. De afbouw en financiële liquidatie duurden nog een jaar. De verminderde belangstelling had misschien te maken met een nieuwe culturele bloei van de steden San Francisco en New York in de tweede helft van de jaren vijftig. Deze bloei maakte het Black Mountain College misschien overbodig. Men kan ook zeggen dat het succes en de verworvenheden van het Black Mountain College deze culturele bloei elders in het land mede ten gevolge hadden en daarin doorwerkten.

Literatuur:

1.Mark tevens and Annalyn Swan. De Kooning; an american master. New York,2005
2.Lee Hall. Willem de Kooning & Elaine Fried. Portret van een huwelijk. Haarlem, 1993. p.81-83.
3.Frances K. Pohl. Ben Shahn; new deal artist in a cold war climate,1947-1954. Austin, 1989. p.117.
4. Karel Wasch. Jack Kerouac. Assen, 2005. p.93
5.Mary Emma Harris. The Arts at Black Mountain College; 3rd.pr. 2002.