Abstract-expressionisme van
The New York School

Ben Vollers

Ik zal hier proberen een schets te geven van wat het ‘Abstract-expressionisme’ voor een kunststroming was, hoe deze is ontstaan en wat het specifieke er van was. In ieder geval is het de eerste Amerikaanse kunststijl die wereldwijd doorbrak, ook in Europa, en navolging kreeg. Hiermee werd de Verenigde Staten als land dat meetelt in de kunstwereld op de kaart gezet.

De term werd in 1929 gebruikt door Alfred Barr, de directeur van het Museum of Modern Art. Hij trok een lijn van het fauvisme van Matisse via het Abstracte expressionisme van Kandinsky (term van hemzelf) naar het abstracte surrealisme van Masson, met de nadruk op het intuïtieve, emotionele, organische, biomorfe, curvilineaire, decoratieve, romantische in zijn exaltatie van het mythische, het spontane en het irrationele. Dit in tegenstelling tot de lijn van de structuren van Seurat en Cezanne, via kubisme naar de tendensen in Holland en Rusland, welke stijl intellectueel, geometrisch, rechthoekig, structureel en klassiek is te noemen. De term Abstract-expressionisme klopte toch al niet erg, aangezien van de groep eigenlijk alleen Hans Hofman een link had gehad naar het Duitse expressionisme. Bij velen was door hun band met de oudere Monet eerder Abstract-impressionisme als term op zijn plaats, of in hun beginfase Abstract-surrealisme. Ofwel de ‘New York School’ tegenover de ’Ecole de Paris’. Dit is de stijl die de kunstwereld leidde tot 1940, toen er in het bezette Europa geen kunstwereld meer was. Voor de groep Pollock, Still, Rothko en Newman werd ook als term gebruikt het Abstract Sublieme (1961 – R. Rosenblum)– het grote formaat nodigt uit tot contemplatie. Ze zijn de opvolgers van de romantische traditie van de 19e eeuw in Amerika . Dit staat tegenover de Franse traditie met waarden als rede, intellect en objectiviteit.

Ontstaan van het modernisme in Amerika.

In 1913 werd met de ‘Armory Show’ in New York voor het eerst op grote schaal het Europees modernisme in de kunst getoond in de VS, vooral het kubisme, maar ook abstract werk van Kandinsky, en werk van Brancusi. De fotograaf en voorvechter van het modernisme Stieglitz begon in zijn galerie ook werk van diverse Europeanen te tonen. Ook verzamelde hij Amerikaanse kunstenaars om zich heen die in deze stijl werkten, zoals Georgia O’Keeffe, Arthur Dove, Marsden Hartley, John Marin.

In de jaren 20 was de overheersende trend het naturalisme. Hierin was vooral het regionalisme populair, met een Grant Wood, en Thomas H. Benton., de stroming die zich verzette tegen het modernisme van de Oostkust, en zijn heil zocht in onderwerpen op het platteland in het Middenwesten. Daarnaast had men de sociaal realisten als Soyer en Ben Shahn die de sociale ellende van de crisis verbeeldden. Arshile Gorky noemde deze stijl ‘arme kunst voor arme mensen’. Tegelijkertijd vond ook het modernisme zijn uitdrukking bij de ‘precisionisten’ als Charles Demuth, en Charles Sheeler, die op een gladde, precieze manier een moderne, industriële en Amerikaanse wereld weergaven.

Desondanks werd in 1935 in het Whitney Museum de expositie ‘Abstract Painting in America’ gehouden die een schets van de ontwikkeling van de abstracte kunst in Amerika gaf vanaf de Armory Show, 1913. Hier werd werk van de eerste generatie van abstract werkende kunstenaars als Georgia O’Keeffe, Arthur Dove, Max Weber, Marsden Hartley en John Marin getoond, maar ook van iemand als Stuart Davis, en de jongere generatie Josef Albers, Willem de Kooning, Arshile Gorky, Graham, Reinhardt en Bolotowsky.

In 1937 werd door het Museum of Modern Art zowel de tentoonstelling ‘Cubism and Abstract Art’ als ‘Fantastic Art, Dada, Surrealism’ gehouden. Hierdoor kreeg het werk van Picasso, Miro en andere surrealisten grote invloed. Klee, Kandinsky en Miro spraken de jongeren het meest aan door hun individuele zelfexpressie en romantische gebaren. Daarnaast was er Massons gebruik van het automatisme om spontane beelden in verf te creëren. Dit is een soort automatisch schrift in verf dat de surrealisten hadden ontwikkeld om beelden uit het onderbewuste naar buiten te brengen. En tenslotte waren er de biomorfe vormen van Arp.

In 1936 werd de ‘American Abstract Artists’ opgericht. Lid waren o.a. Lee Krasner, De Kooning, Gorky & Graham. Verschillende richtingen in de abstracte kunst waren hierin vertegenwoordigd, zowel die van de organische vormen van Miro en Klee, als de structurele geometrie van Mondriaan en de Russische constructivisten. De boventoon werd echter gevoerd door deze geometrisch-abstracten.

Het modernisme werd in de jaren dertig ook bevorderd door Hans Hofmann, en Josef Albers en andere Bauhaus docenten die Nazi-Duitsland waren ontvlucht, hier een veilig heenkomen vonden, en nu her en der lezingen gaven. Hofmann stichtte zijn School of Fine Arts in New York in 1933. Hier studeerde o.a. Lee Krasner (de latere vrouw van Jackson Pollock), Arshile Gorky en Willem de Kooning, maar ook de later beroemde critici Greenberg en Rosenberg volgden zijn lezingen o.a. over cubisme en fauvisme. Maar Josef Albers stichtte in 1933 het ’Black Mountain College’ in North Carolina als een soort voortzetting van het ‘Bauhaus’. In de jaren veertig en vijftig werd dit een broedplaats van het modernisme. Hier kwamen naast Josef Albers kunstenaars les geven als Willem de Kooning, Franz Kline, Motherwell en Stamos, maar ook een John Cage.

Rond 1940 kwamen er diverse beroemde modernisten als vluchtelingen naar New York, zoals Leger en Mondriaan. Maar vooral waren er nu diverse surrealisten ter plekke verschenen, al of niet in het gevolg van de beroemde Amerikaanse verzamelaarster Peggy Guggenheim, met name Salvador Dali, Max Ernst, Matta, Masson, Yves Tanguy en Andre Breton. In 1942 opende Peggy Guggenheim een nieuwe galerie in New York, ‘Art of this Century’, als plaats waar Europese en Amerikaanse modernisten samen konden exposeren.

Eind jaren dertig, begin jaren veertig had zich een groep gevormd van New Yorkse modernistische kunstenaars via vriendschapsnetwerken en diverse kunstopleidingen. Sommigen kenden elkaar van de Work Projects Administrations Easel Division. Dit was een werkverschaffingsproject in de jaren dertig, ingesteld door de regering Roosevelt om de crisis, ook in de kunstwereld, te verlichten. Anderen deden mee aan de muurschilderprojecten van het Federal Arts Project. Hierin deden de Mexicaanse muralisten als Rivera, Orozco en Siqueiros hun invloed gelden. Een aantal leden van de groep New-Yorkers leerden hier voor het eerst grote formaten hanteren. Al in de jaren twintig was Pollock met Guston bevriend geraakt, en Gottlieb met Newman. Pollock kende Still, en Guston kende Rothko. Bij Graham leerden De Kooning, Gorky en David Smith weer Pollock, Gottlieb en Newman kennen. Pollock kende Baziotes en Motherwell. Daarbij kwamen nog Stamos, Reinhardt, Lee Krasner, Kline, Brooks, Walter Tomlin, en de iets oudere en oosters georienteerde Mark Tobey.

Met de komst van de Europeanen werd in deze losse groep de invloed van de surrealisten als Masson, Matta en Ernst versterkt door Motherwell, Baziotes, Gorky en Pollock die ze hadden leren kennen., als ook door de schilder Graham, en de galeriehouder Julian Levy. Allengs kwam de groep in zijn abstract-surrealistische ofwel biomorfe fase, met allerlei totemistische en mythische beelden. Hierbij greep men vooral naar de theorie van Jung met zijn archetypen, zoals o.a. Pollock.. Anderen zochten het meer in de seksuele verbanden van Freud, zoals Motherwell en Gorky. Het automatisch schrift werd vooral door Motherwell, Pollock, Krasner en Baziotes gebruikt. Baziotes, Pollock en Kamrowski hebben in 1940/41

een paar keer samen geëxperimenteerd met automatisch schilderen via spat- en giettechnieken. De echte ‘mythenmakers’ waren Pollock en Rothko; maar ook Gorky, Still, Newman, Stamos en Baziotes hoorden hierbij. Gottlieb gebruikte mythische pictogrammen, evenals Walker Tomlin.

The New York School

Begin jaren veertig ontstaat er langzamerhand een New Yorkse kunstscène, dwz. een netwerk van galeries, tijdschriften met kunstcritici, kunstopleidingen en ontmoetingsplaatsen, dus een infrastructuur. Naast de galerie van Peggy Guggenheim was er die van Betty Parsons, Charles Egan, Sidney Janis, Samuel Kootz en Julian Levy. Ook wordt er in 1948 een eigen opleiding gesticht, ‘Subjects of the artists’, door Baziotes, Motherwell, Rothko en Still, in 1949voortgezet als Studio 35. Hier probeerden ze voorbij het louter abstracte tot onderwerpen te komen en tot onderzoeken, inspiratiemethoden, etc. Men probeerde dus via onderwijs met bijbehorende discussies en lezingen de ‘Amerikaanse stijl’ vast te stellen. Tevens werd in 1949 de ‘Eight Street Club’ gesticht door Egan, Kline, De Kooning en Reinhardt. Hier werden discussies gevoerd en lezingen gegeven voor en door critici, schrijvers, beeldend kunstenaars, galeriehouders, en conservatoren. Ook had men the Cedar bar als ontmoetingsplaats.

De dames speelden een wat minder vooraanstaande rol: Hedda Sterne, Elaine de Kooning, Lee Krasner, Grace Hartigan, Helen Frankenthaler, en Joan Mitchell. Tot de tweede generatie behoorden Sam Francis, Diebenkorn, Larry Rivers, Pousette Dart en Dzubas. Wel hield Sidney Janis in 1949 een expositie ‘Artists, man and wife’. Hier werd werk getoond van Lee Krasner & Jackson Pollock, Elaine & Willem de Kooning, Ben Nicholson & Barbara Hepworth, en Hans Arp & Sophie Tauber-Arp. De bedoeling van Janis was niet helemaal duidelijk. Belangrijk om het ‘abstract-expressionisme’ te tonen en de groep hierom heen te vormen is de expositie in 1949 bij Samuel Kootz ‘The Intrasubjectives’, met o.a. Gorky, De Kooning, Motherwell, Reinhardt en Rothko. In 1951 was er de groepsexpositie van Pollock, Kline, Motherwell en De Kooning in de Nine Street Show. Beroemd is de in deze tijd genomen foto van Life,1951, van de groep die protesteerde tegen het expositiebeleid van het Metropolitan Museum.

‘The Irascibles’

In 1951 werd door Motherwell de expositie ‘The School of New York’ georganiseerd bij de Frank Perls Gallery in Beverly Hills, met o.a. Baziotes, De Kooning, Gottlieb, Hofmann, Motherwell, Pollock, Reinhardt, Rothko, Stamos, Hedda Sterne, Still, Tobey, Walker Tomlin, Richard Pousette Dart. In 1958 werd een soort rondreizende expositie gehouden met werk van de groep uit de collectie van het Museum of Modern Art, ’The New American Painting’. Hierin werd werk getoond van Baziotes, Brooks, Francis, Gorky, Guston, Hartigan, Kline, De Kooning, Motherwell, Newman, Pollock, Stamos, Still, Tomlin, Tworkow; in Basel, Milaan, Madrid, Berlijn, Amsterdam, Brussel, Parijs, Londen, en in het Museum of Modern Art. Tenslotte was er nog de Amerikaanse bijdrage van deze groep aan de Documenta van Kassel in 1959. Hierbij zou de Koude Oorlog een rol hebben gespeeld waarbij deze ‘Abstracten’ het ‘vrije Westen’ vertegenwoordigden, tegenover de ‘realisten’ als vertegenwoordigers van nationaal-socialistische of communistische dictaturen. Tegenover de bewering Barr van het MOMA dat de schilders van de New York School apolitiek waren, staat de stelling dat Guston, Elaine de Kooning, Reinhardt en Rothko de burgerrechtenbeweging en de anti-oorlogsbeweging steunden.. Voor rechtse politici in de VS tijdens de Koude Oorlog stond m.i. dit abstracte modernisme gelijk aan communisme en andere linkse afwijkingen.

De stijl van het Abstract-expressionisme

Het ‘Abstract-expressionisme’ was nooit een homogene stijl, eerder een reeks van parallelle stijlen. In de jaren veertig was de biomorfe, totemistische fase overheersend. De jaren ‘50 noemt men wel de heroïsche fase. Een van de kenmerken van de groep was het grote formaat, dat sommigen hadden leren hanteren bij de muurschilderprojecten van de jaren dertig. Pollock werd in 1943 door Peggy Guggenheim gevraagd een grote muurschildering voor haar te maken.

Rothko, Still en Newman begonnen vanaf 1950 met grote formaten te werken. Anderen bleven voorlopig nog binnen de grenzen van de ezel, zoals De Kooning en Guston. Volgens Greenberg was deze stijl vooral een breuk met de ouderwetse schilderconventies, zoals driedimensionaliteit, illusionisme, voorgrond – achtergrondrelaties. Het ging bij hen vooral om het verfoppervlak, de verlaag. De abstracte tendens zette vanaf 1950 door bij Newman, Still, Rothko, Kline en Gottlieb. De term actionpainting of gesture-painting gold vooral voor Pollock , Franz Kline en Willem de Kooning. ‘Het doek is de arena waarin men moet handelen’ (Pollock).

Bij Pollock, Lee Krasner en Mark Tobey spreek men wel over de all-over structuur, dwz dat het hele doek is gevuld met dezelfde spetters, vakjes, kriebeltjes etc, dwz.het all-over design, en all-at-onceness, dat al voorkwam bij Krasner en Tobey, die al bezig waren met concepten over stroming en oneindigheid. ’Pollocks apocalyptische grandeur breekt met dit kleinschalige Orientalisme’. Maar van echte Oosterse invloed, zoals Zen, is pas bij Tobey sprake; later ook bij Reinhardt en Motherwell. Greenberg noemde het werk van Rothko, Newman en Still met de grote formaten en grote kleurvlakken al Color Field Painting. Deze term wordt in de jaren ‘60 en ‘70 vooral gebruikt voor het werk van Morris Louis, Kenneth Noland, Olitski, en Frank Stella. Hun werk wordt in 1964 ook wel door Greenberg ‘Post-Painterly Abstraction’ genoemd. Hun techniek van doeken zonder primer die met dunne olieverf werden overgoten, was non-gesture, non-figurative. Deze techniek was eerst al gebruikt door Helen Frankenthaler die hiermee een nieuwe richting volgens Greenberg had aangeduid.

In 1962 werd de Eight Street Club gesloten. In dit zelfde jaar werd bij Sidney Janis de tentoonstelling ‘The New Realists’ gehouden, met werk van Roy Lichtenstein, Claes Oldenburg en Andy Warhol, samen met Arman, Yves Klein en Niki de Saint Phalle van de Franse Nouveau Realisme beweging. De ideeën van John Cage over de integratie van het toeval, een nieuwe relatie kunstenaar versus publiek, en kunst versus dagelijks leven, hadden wortel geschoten bij de nieuwe generatie, hetgeen leidde tot het ontstaan van de Pop Art en de Happenings van de Fluxus. In 1962 waren Gorky, Walker Tomlin, Pollock en Kline al niet meer in leven. Parallelle persoonlijke stijlen werden afgebroken, veranderd, en/of overgenomen en voortgezet. Kijk naar het werk van Guston die iets heel nieuws begon eind jaren zestig; maar ook naar het steeds leger wordende werk van een dementerende De Kooning in de jaren tachtig en naar de hoeveelheid New York School in het werk van Rauschenberg en Jasper Johns, om maar een paar te noemen.

Literatuur:

Abstract expressionism; Barbara Hess, Uta Grosenick (ed.) Germany, Taschen, 2005

Abstract Expressionism:creators and critics. An Anthology; ed. with an introduction by Clifford Ross. New York, Abrams, 1990

Abstract Expressionism. The Critical development; by Michael Auping. London, Thames & Hudson, 1987

Amerikaanse Abstracte Kunst 1930-1945; de Patricia en Philip Frost Collectie; red. V.M.Mecklenburg & John Vrieze. Zwolle, Waanders, 1990

Anfam, David. Abstract Expressionism. Londen, Thames & Hudson,1990

Davidson, Abraham A. The Story of American painting. New York, Abrams

Engelmann, Ines Janet. Jackson Pollock and Lee Krasner. Munich , Prestel, 2007

New York, The, School. Abstract Expressionism in the 40s and 50s; forw. by Maurice Tuchman. Londen, Thames & Hudson

Rose, Barbara. American Painting. The Twentieth Century; new upd. ed. New York, Skira, 1986

Sandler, Irving. Abstrakt Expressionismus. Der Triumph der Amerikanischer Malerei; vertaling Herrsching, Pawlak, 1974

Seitz, William C. Abstract Expressionist Painting in America, Cambridge Mass., Harvard University, 1983