Google +1

De dierenpaleizen van de Amsterdamse schilder kunstenaar, Anton Rooskens

de Cobra-schilder die thuis bleef

Fons Heijnsbroek


Wat mij het meest fascineert in de doeken van Anton Rooskens zijn die harige, trillende, dikke, zwarte lijnen, niet zelden zo dik als een trillende kattenstaart. Al kijkend doen ze me soms denken aan de kont van een hond, maar even gemakkelijk trekken ze zich daar niets van aan en laten de kont voor de hond, om een eigen, onnaspeurbaar maar dierlijk leven te gaan leiden op datzelfde platte vlak. Waarom trillen ze zo en zijn ze zo harig? Kon Rooskens zijn kwast niet zo neerzetten dat de lijn zijn werkelijke functie uitoefent, namelijk afgrenzen, en dat is het?


Opvallend is in ieder geval dat die beruchte, logge manier van verf neerzetten, die bij sommige kunstenaars van de École de Paris maar ook bij de vroege Gerrit Benners een dodelijke zwaarte in de doeken tot stand bracht, bij Rooskens een geheel ander en zelfs fris resultaat oplevert. Bij hem ontstaat ruimte rondom de zware lijnen; ze roepen die aan op de een of andere manier, zoals de rotsklompen dat doen in Monets zee-schilderingen van de kusten bij Honfleur. Rooskens is van de schilders uit de periode kort na de Tweede Wereldoorlog met name de schilder die solide schildert en op zijn doeken ruimte creëert, waar andere, verwante collega's hun overgebleven vlakken decoratief opvulden tot aan de rand, zoals Appel toentertijd. Brutaal, en angst en ontzag inboezemend hangt het zwart in stevige vormlijnen binnen de doeken van Rooskens, zo onvermijdelijk geplaatst als het vallen van een nacht in Afrika.


Nog zo'n verschijnsel in zijn doeken dat mij blijft fascineren: er is vaak geen onderscheid tussen vorm en lijn, ook al voel je wel degelijk de figuratieve inslag van zijn onderwerpen. Alsof hij daar geen uitspraak over wil doen, alsof hij bewust een vervaging in dat onderscheid van vorm en lijn wil maken en vasthouden. Alsof hij het onderscheid tussen lijn en vorm opzettelijk of spontaan negeert en de vrijheid opeist van een schilderen zonder. Bram van Velde deed hetzelfde in zijn doeken die ontstonden tijdens de oorlogsjaren in Parijs, toen de wereld van Matisse uit zijn doeken verdween en die andere te bereiken ruimtes nog niet wilden ontluiken. Niet toevallig zijn het ook deze in dikke verf mompelende doeken waarin Afrikaanse maskers hun geheimzinnige werk te doen. Ook bij een Pieter Ouborg met zijn - voor Nederlandse ogen - zo vreemde, animale achtergrond vanuit de Indische leefwereld komen we in zijn abstracte, droog geschilderde doekjes een vergelijkbare bizarre lijnloosheid tegen, die toch het bestaan van vormen duldt. Er worden bij deze kunstenaars wel degelijk dingen getoond, of beesten of mensen, maar zo cryptisch en zo samengevat dat ze zichzelf slechts even identificeerbaar maken in het schilderij om meteen daarna, als een geschrokken slak, zich terug te trekken in hun oervorm: schelp, varen of steen.


Wat zie ik, vraag ik me vaak af voor de doeken van Anton Rooskens. Waar kom ik terecht als ik in zo'n ruig schilderij van hem binnenstap? Nodigt het me daartoe wel uit? Bepaald niet; ik vertrouw het daarbinnen voor geen cent. Bovendien raak ik er de weg gauw kwijt. Ik word beslist niet met open armen ontvangen. Het schilderij lijkt zichtbaar genoeg te hebben aan de wezens en dingen binnen zijn eigen domein. Zwarte, barre vormlijnen die stug een binnenwereld afpalen voor mijn ogen, wat moet ik daarmee?


Toch praat daarbinnen in zijn schilderij van alles met elkaar en ook met mijn ogen, maar in een subtiel weliswaar druk konijnengemurmel. Anders blijven mijn ogen toch niet zo lang luisteren aan zijn doeken en stapte ik niet van mijn fiets als ik eindelijk weer eens iets van hem zie hangen, daar in de etalage van galerie Reflex, tegenover de brug voor het Rijksmuseum. Zijn ze niet voortdurend verbaasd, mijn ogen, en beginnen ze niet terstond opnieuw verwonderd te dwalen als ik afstap en kijk? Waar zoeken ze toch naar? Alsof ze iets willen vatten dat me telkens ontsnapt. Ik heb het ooit wel geweten, het is me niet vreemd, maar het is me ontglipt. Mijn hart voelt nog die verre, oude glimp als ik in zijn doeken kijk. Raak ik zelfs niet diep getroffen voor zo'n weerbarstig schilderij als het daar toevallig hangt? Ze hebben ze blijkbaar nog in voorraad bij Reflex. Laten ze eens een hele tentoonstelling aan Rooskens wijden! Of het Cobra museum in amstelveen? Een overzicht van die vaak zware schilderende kracht.


Zelfs in zijn uitgesproken figuratieve werk spelen de robuuste lijnen een belangrijke rol. Er ontstaat daar een dubbelleven in de doeken: dat van de voorstellingen en dat van het staketsel, de hangpunten van de totale compositie. Waar de dieren van Appel, uit diezelfde tijd, meer een optelsom zijn - weliswaar mooi gerangschikt - daar ontstaat bij Rooskens vaak een abstracte figuratie in het doek, waarbinnen de dieren zijn opgenomen. Er zweeft een sculptuur midden in zijn schilderij. Als aan een touwtje hangt die sculptuur, een bijna mechanisch bouwsel, dat me ver weg doet denken aan de latere draadsculpturen van de speelse Constant, maar eigenlijk sterker aan een opengewerkte, geciseleerde kerstbal, waar verrassenderwijs hier een kattenkop en daar een hond uitsteekt. Bijna uit zichzelf ontstane bouwsels zie ik, vol animaal leven. Geboren vanuit een andere dynamiek dan die van de letterlijke voorstelling, want vanuit de dieren zelf lijken ze ontstaan. Nog één keer tonen ze hun rauwe bestaan binnen de geciviliseerde straten van Amsterdam, de West-Europese provinciestad bij uitstek. Afrikaanse beeldsculptuur? Zat Rooskens op zijn atelier eindeloos te kijken naar de compactheid en de levendige constructie van zijn Afrikaanse beelden? Hij had ze wellicht meegenomen van zijn Afrikaanse reis.


Twee werkelijkheden in hetzelfde schilderij, dat schept een explosief potentieel. De beesten verkrijgen hierdoor een extra kracht omdat ze dynamisch op hun plaats worden gezet. Tegelijkertijd geven zij leven terug aan de abstracte figuratie die zo zelf de kracht als van een groot levend dier krijgt, zoals het rendier op de gevonden nomadische gespen uit de Hongaarse vlakten. Een werkzame deal, want als je als kijker heen en weer gaat van het een naar het ander en weer terug, dan werkt dat intensiverend. Dit stelt natuurlijk eisen, zowel aan de afgebeelde dieren als aan de totale compositie. De belangrijkste conclusie is echter dat Rooskens meestal geen composities bedenkt. Ze zien er niet bedacht of gemaakt uit, ze wonen misschien al lang in zijn atelier en doen de kwast op een keer bewegen tot ze zich op het doek zien staan. Ook dit is vergelijkbaar met het latere werk van Bram van Velde, waar de intuïtie zichzelf schildert, vanaf het moment dat de vormtaal in hem is gerijpt. Zo worden de composities van Rooskens door de levenskracht van de dieren gevoed. Opnieuw komt de vraag: Afrikaanse sculptuur? Waarin de inwonende levenskracht naar buiten komt en zich uit in een bijna onontkoombare, vanzelfsprekende vorm? Gestolde adem van de levenskracht van het beest?


In Afrika is er tientallen eeuwen zonder onderbreking geleefd met en gekeken naar de dieren. Ze verschenen met de snelvallende nacht in de taal van de dromen. Er was daar geen kunst die tussen de mens en zijn waarneming bestond; er was geen objectieve waarneming die hinderde tussen droom en werkelijkheid.


Rooskens is voor mij de meest ruimtelijke Nederlandse schilder van na de Tweede Wereldoorlog, in de vormtaal van de constructie. Ruimtes waren er ook bij Edgar Fernhout en bij Gerrit Benner, maar daar spreken we over een ruimte die zich spreidt over het gehele doek. Bij Rooskens is het de geconstrueerde ruimte die ons aankijkt vanuit het schilderij. We kijken onmiskenbaar naar bouwsels. We kunnen er doorheen dwalen met onze ogen; er zijn immers vele kamers. Royaal zet hij poorten en deuren open, en zelfs roept een kattenoog ons aan om toch vooral binnen te komen. Er huizen katten die de ene keer elegant verschijnen als een Parisiënne, een volgende keer echter ruig als een verwilderde zwerver. Voelbaar om de gemaakte constructies heen hangt de ruimte. Beter gezegd: de constructies van Rooskens hangen in de ruimte en roepen deze naar zich toe. Ze doen denken aan een duiventil, een zwevende ark van Noach. De constructie zelf is niet voelbaar, is niet bedacht; ze kan zich daarom nooit aan ons opdringen. Het zijn andere gegevenheden van het leven die bij Rooskens de bouwsels doen ontstaan.
 

ss