Kunst maken is springen

- uit de keuken van het moderne schilderen -

Fons Heijnsbroek


Kunst is eigenlijk springen. Het gemaakte kunstding is eigenlijk de sprong. Het is niet alleen maar een getuige van de sprong of een verslag van het gesprongen zijn. Van waar en hoe men is terecht gekomen. Nee, het kunstding is en blijft de sprong. Hoe bepaalt een kunstenaar de richting van het springen, vraag je je af. We zijn en blijven als kunstenaar ook mens. We hoeven van onszelf toch niet te verlangen dat elke kunstpoging een sprong is, het barre niemandsland in?! Toch eigenlijk wel, ja. Gelukkig is er een geruststelling: als je eenmaal gesprongen hebt. kom je altijd ergens terecht. Ofwel daar waar je al was of waar je nu (terechtgekomen) bent. Het eerste is teleurstellend want we verlangden zo. Het tweede is verbazingwekkend: je komt blijkbaar nooit weg van jezelf.

Maar een kunstenaar moet toch een oeuvre opbouwen, er moet toch een onderlinge band zijn tussen de werken? Hij kan toch niet als een ‘dwazerik in een groen weiland’ heen en weer springen? Het laatste regelt zichzelf gelukkig, want het geeft geen enkel resultaat: als we blind en ongecontroleerd heen en weer springen als een wilde gnoe, blijven we vanzelf waar we al waren. We springen weliswaar zo vrij als een dwaas, maar we komen niet los uit ons verleden en niet los van ons al gemaakte werk. Het is trouwens volstrekt onmogelijk om met springen ergens te komen, eerder ga je met je sprong nog uitgesprokener ergens in. De klei in bijvoorbeeld, waarin je voeten soppend neerkomen. Er uit willen springen is slechts een beweging weg, naar buiten. Het geeft niet naar waar, als we maar weg zijn, schreeuwt onze ingebouwde vluchtknop ons alarmerend toe.. Helaas een vlucht die nooit goed lukken wil, want we komen nauwelijks echt weg. Er in willen springen is onszelf ergens toe bekennen.
 

Het is een overgave, concentratie, ook al weten we nog niet op wat.
Het lijkt erop dat we ons als kunstenaar op het moment vlak voor de sprong onthand voelen, niets (meer) weten, en tegelijkertijd weten we zo ijzingwekkend helder dat we niet bij en in het vorige kunnen blijven. Een hand duwt ons naar buiten. Het is een dwang zonder ons. Het bekende drijft ons vanzelf uit. Je kunt weigeren om eraan toe te geven. In feite proberen we dat vaak, maar we krijgen dan elke keer dat herkenbare gevoel van thuisloosheid. Alsof je midden tussen je vertrouwde spullen zit in je vertrouwde leunstoel, maar dat je er zelf niet bent. Je spullen kijken je weg. De muren zeggen dat je er niet bent. En naar jezelf kijken, dat durf je niet omdat je je leegte al weet van je eigen ogen. Je weet zo goed dat je er toch aan moet geloven. 'Anders zou je wel eens heel erg ongelukkig kunnen worden voor de rest van je leven, omdat ik dan vlucht', zo fluistert onze ziel door ons heen.

Het is een overgave, concentratie.
Het barre niemandsland in...

Als je springt, moet je je afzetten van iets, want in de lucht zwevend valt niet te springen; de lucht is ons te dun. Wij zijn tweevoeters en niet geschikt om de sierlijke arabesken van meeuwen te maken. Ieder heeft blijkbaar een eigen stek. Al de voorgaande werken die we gemaakt hebben, zijn in wezen het vast punt om onze voet af te zetten tot de sprong. En gedurende het springen zijn we tijdelijk, -tijdelijk maar, en dat is een genade en geruststellend- nergens. Nergens in het niemand-land. Het is de plaats van de kloof of juister nog: dit is de kloof. Daar is waar het niets zich uitwisselt in iets. En je weet dat het de opgave is om met je bewustzijn en al je ontvankelijkheidsorganen open zo intens mogelijk daar aanwezig te zijn. Nee, nog sterker: je ontdekt hier dat je zintuigen bezit die je nog nauwelijks kende. En je weet heel zeker -heel in de verte- dat ze op volle toeren aan het werk zijn, juist op dat moment van het springen. Het lijkt lang te duren; de wereld is er nog wel, maar hoogstens parallel. Jij zelf ook. Het is niet zo, dat je jezelf waarneemt, want er is op dit moment geen ik om waar te nemen. Dąt is het hem juist. De grote strengen van je nieuwe zintuigen ademen om je heen waar jij niet bent. We zijn even uitgeleend.

Als je na de sprong op je voeten komt, is er die vreemde sensatie dat je meer bij jezelf bent dan daarvoor. Dat is een vreemd maar weldadig verschijnsel wat zich niet laat veroveren of plannen. Het valt toe. Ik maakte het mee tijdens een concert van soefie-muziek. Tijdens het zingen van de voorzanger luisterde ik in de muziek en realiseerde me ineens dat ik niet meer wist waar ik was. Er was slechts ruimte. Dit besef leverde geen gemis op of ongerustheid, want de muziek was er, die de vraag opving en naar mijn zelf tilde. Dat moet het grote mededogen zijn wat de Soefies hebben begrepen. Er ontstaat op zo'n moment grote helderheid en grote duidelijkheid. Je springt als het ware weg van jezelf en komt dichter bij jezelf terug. Je weet ook dat je echt iets meemaakt, want er is contact. Het heeft de gewaarwording van enorme waarheid. Ook al hangt er nog de huiver om het onbekende brokstuk uit de geopende kloof, dat met ons is meegekomen, al te dicht tegen ons aan te houden. Maar dat hoeft ook niet. We zijn als kunstenaar ook mens. We mogen wennen. Er is tijd.

Fons Heijnsbroek