Google +1

Paul van Crimpen - beeldhouwer te Warder

herinnering van de schilder Paul Werner


In het Amstelpark te Amsterdam - op weg naar het 'Glazen Huis' waar Fons Heijnsbroek een expositie had - zag ik weer het stenen abstracte beeld van Paul van Crimpen terug uit 1975, tijdens grote een beelden expositie daar geplaatst in het Amstelpark. Het is uit Belgische zandsteen gehakt en ik noem het maar 'De Poort'. Met Corrie en kinderen waren wij daar indertijd en zagen Paulus terug, die ons uitnodigde naar Wieringen te komen waar hij op een terp een grote boerderij had gekocht en met zijn tweede vrouw woonde. Dat bracht weer de tijd in Warder in mijn herinnering uit de zestiger jaren, waar ik de gast was van Tan en Paul. Ik had Paul van Crimpen via Fred Barends leren kennen, die toentertijd op het Rothaanhuis een culturele medewerker was voor de Jordaanjeugd. Ik ben een keer mee geweest naar het vakantieoord in Nuenen met de bleekneusjes.

Fred werkte bij Mak van Waay Kunstveilingen. Zo liet hij mij kennismaken met Paul van Crimpen en kwam ik in Warder, een soort Bergen of Laren in het klein, waar Henk Willemse o.a. een groot atelier had in de oude lagere school bij de kerk, waar hij mij reuzendoeken liet zien met koeien en polders en boeren. Samen gingen wij in de stallen tekenen en schilderen.

Tussen Arnhem, waar ik ben geboren, en Nijmegen, waar Paul van Crimpen vandaan kwam, ligt Elst in de Betuwe, geboorteplaats van Steven Kwint. Met beiden heb ik een lange hechte band gehad. Hun verwantschap zat in de alcohol en van huis uit kende ik de problemen daarvan. Ik was wat ouder dan zij en speelde een beetje de toezichthouder.

In de gedenkwaardige koude winter van 1962 tot april 1963 ging ik in december in de sneeuw naar Warder, echter strandde in Noord, zette mijn Mobilette weg en ging verder met de bus. De kerstdagen nog thuis bij mijn vader en Madeleine gevierd, doch zonder cent op zak naar Warder getogen. Met oud en nieuw bij een steward van de KLM, die woonde op een grote verbouwde stolpboerderij, een oliebollenfeest met bier gevierd. Ik stopte de oliebollen bij Gemma in de bontmuts. Bij Fred thuis rolden ze op de grond rond de kerstboom. 'Jeu de boules' riep Paul. Hij begon met flessen te gooien en wij maanden hem toen naar huis te gaan. Midden in de nacht bij het zwembadje rolden wij autobanden op het ijs van het IJselmeer. Als grote nullen rolden ze voort tot ze aan de einder omvielen.

Ik herinner mij ook dat wij waren uitgenodigd op de boerderij bij moeder Aagt die stevige borrels schonk. Terug in de nacht raakten we Henk Willemse kwijt. Na een poosje zoeken, vonden wij hem terug in de wei liggend op zijn rug en overtuigden hem met moeite met ons terug naar huis te keren. Ook Noekie, de zoon van Rädecker van het monument op de Dam, kwam vaak op bezoek met zijn Japanse vrouw.

Op oudejaarsavond en de eerste januari was er een complete sneeuwstorm geweest. We konden de weg niet meer zien die over de dijk glooiend in het IJselmeer overliep. Na enkele dagen wachten, wij waren volledig geïsoleerd in Warder, zagen wij de bulldozers met sneeuwschuivers in de verte op de dijk naderen. Ik kon toen naar de bushalte in Oosthuizen wandelen en naar de Handweg teruggaan. Tot mijn ergernis kon ik mijn brommer niet meer terugvinden: verstopt, ondergesneeuwd onder een grote berg sneeuw. Ik kreeg hem niet meer op gang en half Amsterdam doorgezeuld kon ik eindelijk de motor met veel gesputter op gang krijgen. Thuis was alles een ijsklomp, mijn iglootje zoals men het noemde.

Maar goed, het ging eigenlijk over Warder, ik weid weer eens wat uit. Paul had een atelier een eind verder in het dorp in een grote schuur, waar hij mij o.a. H.M. Met Het Bontje, de gipsen Wilhelmina van Charlotte van Pallandt liet zien, die wij in zijn Deux Chevaux moesten laden. Hij werkte nl. veel voor collega beeldhouwers, maakte mallen, goot en hakte voor Mari Andriessen, Wezelaar en Wenkebach en kwam weinig aan eigen werk toe. Wel een mooi beeld van Tan in brons. Ook een keer stond de legendarische schilder H. Boot uit Haarlem levensgroot aan het hek in gips, ook een opdracht. Paul begroette mij uitbundig: 'Zo zie jij er later ook uit.' Hierop werd er stevig ingenomen en als Hubert van Lith en Henk Willemse langskwamen werd een krat pils gehaald. Hubert woonde in Edam en reed zonder rijbewijs in de polder. Paul vertelde mij dat hij op een nacht hulpgeroep hoorde en Hubert ondersteboven onder zijn lelijke eendje in de sloot lag. 'Lieve Jezus, help mij!' hoorde Paul, waarop hij zei: 'Ik ben de lieve Jezus niet, maar toch zal ik je helpen.' Zo gezegd, zo gedaan. Onder de modder en afgespoeld onder de douche zat hij spiernaakt als een modderman te drogen bij de kachel. 'Wat drank al niet vermag!' zou mijn vader uitroepen.

Paul had ook een grote opdracht voor een kerk in Steenwijkerwold: een altaar en een doopvont. Hij zat er eerst wel mee in de knoop, in die tijd waren we allen provo of anarchist, maar ik moedigde hem aan. Het was een schitterend ontwerp, een soort azteken altaar of tempel, er straalde een oermagische kracht van uit. Het is uiteindelijk geplaatst. De groten krijgen aandacht, de petits-maîtres niets tot zeer weinig. De hakker of bronsgieter wordt in dit land als krullenjongen gezien. In Frankrijk heeft men meer gevoel voor kunst. Paul leed daar wel onder. Ook mijn portret in klei, door hem geboetseerd, nooit af gezien. Hij had een soort clown van mij gemaakt.

Later, eind jaren 60 geloof ik, kocht Paul van Crimpen in de Wieringermeerpolder een vervallen boerderij, waar ik nog een blauwe maandag kwam helpen. Met een grote paal hield ik de voorgevel van het atelier op zijn plaats, terwijl Paul op een ladder de boel stond vast te timmeren. Ook zand uitgegraven voor rails, waarop hij stenen het atelier kon inrijden.

Toen kwam het drama dat Tan wegging met de kinderen. Paulus had een vriendin toen wij op bezoek waren. Helaas was 't bezoek geen groot succes, al deed hij zijn best. Ik maakte wat stomme opmerkingen, hij kon de zeurende kinderen niet meer aan. Later kwam ik hem tegen bij Loods Zes in Amsterdam, tijdens Open Ateliers, waar hij bij De Baat / Jos-Art kunstuitleen meedeed. hij woonde toen in Hoorn. Van Antony de Baat hoorde ik twee jaar geleden (in 2000) dat Paul was overleden; Tan was al overleden. Hij had prostaatkanker, was ongeneeslijk ziek en van de trap gevallen. Zoals H. Seeghers en Steven Kwint ook gestorven zijn. Weer een oude vriend verloren. Hij is zevenenzestig geworden, net zo oud als Hans, mijn broer, die twee jaar geleden overleden is aan dezelfde kwaal. Deze tijd is definitief voorbij. De contraprestatie en later de BKR gingen in de jaren 80 ten einde en stierven een langzame dood.

redactie: Graag een mail naar de redactie, bij verdere vragen aan Paul Werner of als u belangstelling hebt naar hem te reageren. Die wordt dan fysiek doorgegeven aan Paul Werner.
Wilt u afbeeldingen zien van gouaches en / of litho's van Paul Werner, klik hier