Tussen de regels

over het werk van Rob den Boer en zijn lijnvoering


Fons Heijnsbroek


Tussen de regels schrijven, dat is het eerste wat in mij opkomt als ik probeer te verwoorden waar Rob den Boer mee bezig is in zijn kunstpraktijk. Er wordt geschreven bij Rob den Boer, hartstochtelijk en telkens opnieuw. Met een pen, of etspen, of zwart krijt. Hij gebruikt al het materiaal dat hem toelaat de dikte van de lijn te variŽren, die grijzende lijn die in zijn werk over het papier uitzwerft en alle nodige vrijheid neemt om tot vorm te kunnen komen.

Neemt hij ook alle vrijheid? Dat zou een open optie zijn die daarmee wellicht doelloos is. Waar moet de pen naartoe? Is er niet ergens een richtpunt op dat sneeuwwitte vlak van het papier, een ander richtpunt dan het hollend doorkruisen van eigen geschrijf of van een vervagende horizon? En: tot wie schrijft de lijn eigenlijk, tot wat?Bij Rob den Boer zwerft de pen weliswaar vrij over het wijde papier, maar hij schrijft in bewegingen die zich in ieder geval tot elkaar bekennen: De lijnen zijn familie van elkaar, ook al is het ene broertje iets dikker of iets scherper en hebben de neefjes een steviger postuur. Opa is dement maar uiterst charmant en losjes, zoals het oudjes betaamt.Het zijn geen familieportretten van op elkaar gedrukte lijnen die in het werk van Rob den Boer te vinden zijn, maar veeleer opengeworpen velden van lijnen die onderlinge bloedverwantschap kennen en daardoor een samenhang van verwantschap bezitten. Ze horen bij elkaar, en als er soms de indruk ontstaat dat bepaalde lijnen zich afzonderen, dan doen ze dat wellicht maar wťl binnen die grotere verwantschap. We zouden kunnen zeggen dat het werk hierdoor een organische uitdrukking krijgt, maar of dat zo snel al een zinvolle aanduiding is?

Op een sneeuwveld is elke tak te zien, elke greppel, elk daksilhouet. Alles tekent zich af tegen het wit; er zit iets onverbiddelijks in de dimensie van sneeuwvelden. Meerdere schilders en kunstenaars hebben zich hiervan bediend, of beter gezegd: ze hebben in dezelfde lege gebieden vertoefd en gewerkt. Fontana deed zijn eerste snede in een smetteloos wit doek. Schoonhoven maakte zijn eerste reliŽfs nog in donkerbruine tinten, maar wendde zich al snel naar het gebied waar het wit in al zijn subtiele gradaties regeert. In het werk van beiden is het de tere lijn, de lichte schaduw van een ribbel of een subtiele vouw die gezichten schrijft in de nog onaangetaste sneeuw. Juist deze beeldende middelen bezitten de onmiskenbare eigenschap dat ze nauwelijks waarneembaar hoeven te zijn om toch tot krachtige inwerking binnen het totale beeld te komen. De meer robuuste en fundamentele kunstenaars weren deze visuele middelen al snel uit hun werk, vanwege de te sterke onbepaaldheid die ze met zich meedragen. Ze zijn niet te verbinden met een program of met een concept vooraf; ze ontstaan blijkbaar uit andere bronnen en zijn niet afroepbaar door een gewild dictaat.In de beeldende kunst is er eeuwenlang gedacht in een helder onderscheid tussen lijnen en vormen. In elk werkstuk is het verschil tussen de beide identiteiten goed te zien, behalve daar waar het Ďatmosferischeí zo sterk gaat overheersen dat er nauwelijks meer een onderscheid zichtbaar is in vorm en lijn.

Met name de laatste decennia lijkt er iets aan de hand te zijn met dat heldere onderscheid tussen vorm en lijn. Binnen de recente abstracte kunst naderen deze twee elkaar heel dicht of vervangt de ťťn zelfs de ander. In het werk van Rob den Boer overheerst zonneklaar de lijn, maar deze schept nadrukkelijk en vrijwel onmiddellijk vorm; zonder tot vorm te komen heeft hij immers geen motief om er te zijn. De lijn droomt vooraf, voorzichtig, de vorm. Niet dat de lijn zich onderschikt aan de vorm en in haar versmelt, of dat ze zonder de door haar getrokken vorm niet zelfstandig kan lopen. Nee, zijn lijnen kennen meestal een zelfstandig bestaan, en staan er bovendien met een uitgesproken aanwezigheid. Natuurlijk verschillen ze daarbij van karakter. In zijn etsen bijvoorbeeld staan ze vaak scherp en helder. Zijn lijnen glijden als slangen langs de grijpende handen van het vel, waarbij de ene lijn zich dik toont en een andere daarentegen dun over het witte vel meandert als een snijdende bosbeek. Ze bestaan slechts in hun eigen loop en werpen in hun bewegingen terloops hier en daar een afbakening neer: een hechtplek, een kruising of een verdikking; plekken waarin we de vlakken en de vormen zien ontstaan. De lijnen roepen met hun verschillende richtingen de ruimte aan. Ze zijn niet allemaal gelijklopend met het oppervlak van het papier. Vaak staan ze er haaks op, of hellend, of schuin naar voren, of naar links gedraaid, rechtsom uitgeklapt.

Het is niet de lyriek die wint in het werk van Rob den Boer. Er zijn veel werken waarin het beeldend denken overheerst of waar de structuurbepaling wellicht al vroeg in de groei van het werk aanwezig was. Maar ook daar vinden we die ongrijpbare, ruimtelijke wisseling van de vlakken, die weliswaar in een onderling hecht verband bestaan, maar desondanks onze menselijke ruimte-oriŽntatie verwarren. Rechts, links, boven, onder, het Oosten, het Westen, de hemel, de loodlijn; ze zijn hier niet langer de heldere ruimte-coŲrdinaten die zich afzetten vanaf de horizon. Vooral binnen de werken van Rob den Boer die een strenger opgevatte constructie bezitten ontstaat zo een sterke inwendige compressie, waarbij pas na langer kijken de ontstane ruimtelijkheid te ervaren is. We doen een kijkervaring op die ons verwart. Aan de ene kant is er die hecht geconstrueerde structuur, dat ruimtelijke, solide bouwsel dat ons suggereert dat we onze weg wel redelijk gemakkelijk kunnen vinden. Maar op het moment dat we daadwerkelijk met onze ogen de solide constructie willen betreden slaan de vlakken om, zoals in het oude spiegelhuis op de kermis. Ineens staan die vlakken niet langer vertrouwd in elkaars verlengde of haaks als de kamerhoeken van ons huis. Er is geen kubus, er is geen wiskundige driedimensionale vorm. Wťl zijn er compartimenten, want onze ogen kunnen van de ene naar de andere ruimte gaan. Dat is echter niet afdoende, want onze vertrouwde ruimte-oriŽntatie - ons fundamentele gevoel van onder en boven - gaat ten onder in een raadselachtige onbepaaldheid; we weten niet langer waar we zijn. Gelukkig kunnen we hier en daar een houvast vinden in enkele aangeboden, solide constructies die te ontdekken zijn in de geschreven lijnen. Ze werken als het ware als een kijkhut, vanwaar we de wilde dieren veilig kunnen bekijken. De wilde dieren, opgeroepen door een verlies aan structuur, die we altijd dachten te bezitten.

De vroegste mens is lange tijd eerst dier op de vlakte geweest, vermoedelijk de ruime, Afrikaanse steppegebieden met hun weidse grasland met hier en daar een groep struiken en een op zichzelf staande boom. Hij begon er rechtop te lopen, wat hem grote voordelen bood bij het spieden en bij het jagen. Het nadeel was echter dat hij door rechtop te lopen boven de lage begroeiing uitstak en zo gemakkelijk vindbaar werd voor de dieren die op hem jaagden. Zijn oren hoefde hij niet te draaien, zoals de grazende zebra of gazelle; hij draaide gewoon zijn hoofd om, dat nu recht op zijn romp was komen te staan. Ook zijn ogen konden daardoor naar voren kijken en de horizon afspieden, in plaats van naar opzij te kijken in een gedeelde blik van het linker- en het rechteroog. Boven hem was de grote, ongebroken hemel, en de nacht met zijn massieve zwart. Links en rechts, voor en achter wierp de vlakte zich uit, waar de vroege mens zijn prooi kon ontdekken of waar hij als prooi werd bejaagd. Leven en overleven waren direct verbonden met deze basale oriŽntatie van ruimte, die zich heeft neergelegd tot in het diepst van ons menselijke bewustzijn. Deze aloude ruimteoriŽntatie werd voor het eerst in het kubisme analytisch en doelbewust ontwricht om mogelijkheden in het leven te roepen waardoor we kunnen ontsnappen aan zijn dwingende karakter. Sensaties die door het moderne vervoer en door het dynamische entertainment werden opgeroepen (lunapark, de vroege achtbaan) lagen hieraan ten grondslag. Bovendien ontstond er een eigentijds verlangen naar ruimte-ervaring, o.a. verwoord en verbeeld door de suprematist Malevich en in de opkomende sciencefiction. Daarmee gepaard ging binnen de abstracte kunst een sterke nadruk op het platte vlak, waardoor echter slechts een beperkte symbolische weergave tot ruimte werd bewerkstelligd.

Ook in het werk van Rob den Boer wordt deze aloude ruimte-oriŽntatie ontwricht, maar nu om geheel andere redenen. Bij hem ontstaat de ontwrichting meteen in het positieve door de zwervende lijnen die blijkbaar van meet af aan weet hebben van andere ruimtelijke oriŽntaties en structuren dan de basale die ik zo-even beschreef. Er is bij hem een sterk vermoeden van andere vormen van ruimtelijkheid aanwezig, van andere dimensies en andere logica van ruimte. Dit vermoeden boort een construerende kracht aan, van waaruit de lijnen - door ze te verbeelden - worden gevoed bij hun pogingen om deze ruimtes te ontsluiten door ze ook daadwerkelijk te betreden. Deze vermoedens over andersoortige ruimtelijke dimensies hebben al enkele decennia eerder een rol gespeeld in de moderne kunst. Vanaf 1950 zijn er binnen de abstracte kunst moderne kunstenaars aan te wijzen, zoals een Bram van Velde, Nay of Bissier, die op basis van hun moderne intuÔtie nog niet eerder verkende ruimtelijkheden hebben opengelegd. Het zijn die ruimtelijkheden die in de eerste abstracte golf wel werden aangevoeld maar blijkbaar nog niet konden worden gerealiseerd, zoals is te zien in de aanzetten daartoe in het werk van Jacoba van Heemskerck en van Malevich.

Het kan niet anders of de recente openingen door de ontwrichting van de basale ruimtecoŲrdinaten hebben veel samenhang met nieuw ontsloten inzichten binnen het westerse filosoferen en met de schokkende bevindingen uit de moderne bŤtawetenschappen. Er is samenhang, maar deze wetenschappelijke inzichten kunnen niet de basale voeding zijn voor de moderne kunst die nieuwe ruimtes wil openleggen. Hoogstens bieden zij de kunstenaar, die immers voor alles beelden dient te maken, een begeleidend en omringend bewustzijn. De kunstenaar zal eigen vermoedens moeten onderkennen en omzetten naar een overtuigende beeldtaal. Hij of zij zal een eigen werkwijze dienen te ontwikkelen waarmee de nieuw vermoede ruimtes ontsloten kunnen worden, zowel figuratief als abstract. Het werk van Rob den Boer is te zien als een stevige aanzet daartoe, uitgesproken en helder.


Meer werk van Rob den Boer is te vinden op zijn website.

stuur een e-mail
.