De klank van het onzichtbare, in de moderne kunst

Ingrid van den Bergh


Kunst beoogt het onaardse leven dat achter alles leeft
te onthullen en de spiegel van het leven te breken
opdat we het wezenlijke in het gezicht kunnen zien.
Franz Marc (1880-1916)


Introductie

Franz Marc, citaten van Franz Marc, fh) medeoprichter van de Duitse kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter (1911), behoort tot de vroeg abstracte schilders aan het begin van de 20e eeuw. Zijn citaat, waarmee deze beschouwing begint, kan ik niet lezen zonder dat het stemt tot nadenken, tot analyse. Ik ging op zoek naar meer uitspraken van Marc en vond de volgende: Ik zou een schilderij: ‘Het hert’ kunnen maken. Pisanello heeft ze geschilderd. Ik zou ook een schilderij kunnen schilderen: ‘Het hert voelt’. Hoe oneindig subtieler moet de sensitiviteit van de schilder zijn om dàt te kunnen schilderen!

Marc noemt de sensitiviteit van de schilder, zonder welke hij niet in staat is om het innerlijke van het hert weer te geven. Uit dit citaat blijkt hoezeer hij probeerde het immateriële, dat wat wij niet kunnen zien, zichtbaar te maken op het doek. Franz Marc had daar zijn eigen ideeën over. Zoals meer van zijn tijdgenoten dichtte hij aan kleuren bepaalde eigenschappen toe. In zijn schilderij De toren der blauwe paarden uit 1912 staan vier blauwe paarden. Het gaat de kunstenaar niet om de zichtbare werkelijkheid, blauwe paarden bestaan immers niet. Het gaat Marc om iets anders. Hij gebruikt de kleur blauw omdat die kleur volgens hem de kracht van paarden weergeeft. Door middel van kleur laat hij iets zien van het innerlijk van het paard. Hij vervormt de werkelijkheid om kracht en energie uit te drukken.

Schrijvers en schilders

Bij expressionistische schrijvers is het niet veel anders al bedienen zij zich van andere middelen: in plaats van penseel en verf gebruiken zij pen en papier en maken zo een woordschilderij. In opvallende woordcombinaties willen zij een gevoel of gedachte zo direct mogelijk uitdrukken. ‘Schuimende morgen’ en ‘vuren lach’ uit het volgende gedicht van Hendrik Marsman zijn daarvan voorbeelden.

Vlam /
Schuimende morgen / En mijn vuren lach /
Drinkt uit ontzaggelijke schalen / Van lucht en aarde /
Den opalen dag.

In dit gedicht wordt duidelijk gemaakt dat de ik-figuur bruist van levenslust en energie. De dichter zegt dat niet letterlijk, hij benoemt het niet maar laat het direct blijken uit zijn taalgebruik. Als een schrijver zou verhalen over een blauw paard zou hij er, indien hij de theorieën van Marc zou vertalen naar zijn schrijverschap, niet bij hoeven te schrijven dat het paard sterk is. In het verhaal wordt dan, evenals in het schilderij, de eigenschap niet benoemd maar beschreven en daardoor zichtbaar gemaakt zonder er de nadruk op te leggen. Zonder iets op te willen leggen.

Zelf schrijver wil ik, net als de vroege abstracte kunstenaars, meer laten zien dan enkel materie. Als ik schrijf: ‘Het hert is triest’ of ‘De man is boos’ zal de lezer mij niet geloven; verdriet of boosheid worden slechts benoemd terwijl nadere beschrijving ontbreekt. Wat de lezer ziet is enkel materie, woorden in hun uiterlijke verschijningsvorm. Het beeld gaat pas leven als ik er in slaag mijn bedoelingen zichtbaar te maken. Pas als de schrijver zichzelf bevrijdt van de gewoonte emoties te benoemen en gebruik gaat maken van sterke beelden of metaforen, zal hij bij de lezer iets oproepen dat vergelijkbaar is met het immateriële dat de vroege abstracte kunstenaars wilden laten zien. Met zinnen als: ‘Het hert draaide zich om en liet zijn kop hangen’ of ‘De man beende de kamer uit en sloeg met de deur’ weet iedere lezer in welke gemoedstoestand het hert of de man zich bevindt. De vergelijking met een andere kunstdiscipline dringt zich aan mij op. Als geen ander maakt de mimespeler - een levende Pierrot in een bewegend schilderij - zonder klanken in de gangbare betekenis van het woord, een gemoedstoestand zichtbaar voor het publiek. Met behulp van beschrijving wordt in de literatuur, net als in de abstracte, beeldende kunst, ruimte gecreëerd voor eigen interpretatie. Voor de lezer of de beschouwer zijn de eigen toegankelijkheid en associaties daartoe een wezenlijk voertuig. Om de innerlijke wereld waarachtig binnen te gaan moet hij beschikken over een sensitieve geest. De sensitieve vermogens van de beschouwer zijn hier minstens zo noodzakelijk is als die van de kunstenaar.

Tijdperk van de ziel

Wassily Kandinsky quotes van Kandinskt, fh) (1866-1944), tijdgenoot van Franz Marc, voorspelde dat het tijdperk van het materiële ten einde liep en dat nu de ziel tevoorschijn kwam. Nieuwe esoterische bewegingen maakten destijds hun opwachting zoals de antroposofie, een zoektocht naar de relatie van de mens tot de geestelijke, de spirituele wereld. Vanuit deze leer werd veel nadruk gelegd op expressie in muziek en dans, volgens de antroposofische leer van ritmiek (euritmie) en kleuren. Kandinsky hield zich uitgebreid bezig met de werking van kleuren en filosofeerde daarover in zijn theoretische geschrift: ‘Über das Geistige in der Kunst (Over het spirituele in de kunst) uit 1912. Begeef ik mij op glad ijs indien ik de ‘werking’, waarover Kandinsky spreekt, doortrek naar het begrip ‘interactie?’ Interactie tussen het kunstwerk en de beschouwer en zelfs tussen kunstliefhebber en kunstenaar? Misschien ging Kandinsky zover als hij sprak over ‘klank.’ Een klank die, volgens hem, het best kon worden gehoord door lieden die beschikken over een gedegen ontwikkeling en een hoge graad van intelligentie.

Rond 1910 durfden kunstenaars de figuratieve voorstelling steeds meer los te laten om direct op het doek met kleuren en vormen te schilderen, zonder dat deze verwezen naar concreet zichtbare dingen. Dit wordt tegenwoordig ‘abstract’ en werd destijds veelal gegenstandslos (voorwerploos) genoemd. Later zou Kandinsky aan het Bauhaus experimenteren met synesthesie en zijn studenten met name onderwijzen in de immateriële klanken van kleuren en vormen. Toen de ideeën van kunstenaarsgroepen als Die Brücke en Der Blaue Reiter door schilders in andere West-Europese landen werden overgenomen ontstond een nieuwe kunststijl, die expressionisme werd genoemd, een stroming die het diepste wezen van de dingen - zoals de kunstenaar dit ziet - wil weergeven. Expressie betekent gevoelsuitdrukking. Expressionistische kunst is geen stroming, zij heeft een algemene betekenis en relateert aan alle kunststromingen waarin gevoelsuitdrukking een drijfveer is. Voor de expressionistische kunstenaar is dit het belangrijkst; hij wil daarin niet worden beperkt. De jaren rond de oprichting van Der Blaue Reiter waren in de beeldende kunst de belangrijkste jaren op weg naar abstractie. Kleuren werden bevrijd van voorwerpbeschrijving en werden autonoom. Steeds meer lukte het “door het inperken van het uiterlijk, het innerlijk sterker te laten klinken.”

De invloed van muziek

Theo van Doesburg quotes van Theo van Doesburg, fh) schreef reeds dat muziek, met zijn abstracte taal als hoogste uiting van gevoel, in uitdrukkingswijze de schilderkunst ver vooruit was. Muziek was en is niet gebonden aan concrete voorstellingen van de materiële wereld en benadert, ook volgens van Doesburg, als geen andere kunstvorm het immateriële. In de tijd van de vroege abstracte kunstenaars was muziek al eeuwenlang de kunstvorm die haar middelen niet aanwendt om zichtbare verschijningsvormen te creëren maar om het geestelijke leven van de kunstenaar uit te drukken. De schilder die zijn innerlijke wereld tot uitdrukking wilde brengen was jaloers op de muziek, die op zo natuurlijke en gemakkelijke wijze haar doel bereikt. Voor zijn visuele kunst zocht hij naar de middelen waarover muziek van nature beschikte en probeerde ritme, mathematische, abstracte constructies en herhaling van klanken in zijn schilderij toe te passen. Ook probeerde hij, op het doek, de kleur in beweging te brengen. Tot in het huidige millennium leveren artistieke Don Quichotes hun gevecht met dit intrigerende, veelbeproefde fenomeen.

In het tijdperk tussen de klassieke muziek van Ludwig van Beethoven (1770-1827) en die van de expressionistische componist Arnold Schönberg (1874-1935) bekende muziek steeds meer kleur, bijvoorbeeld door gebruikmaking van de klankkleur van instrumenten. In de 19e eeuw ontstond de traditie van het muzikale schilderen, die onder meer van invloed was op de Utrechtse schildermysticus Janus de Winter. Op verzoek van de psycholoog Ten Haeff beschreef de Winter uitvoerig zijn synesthetische ervaringen bij het beluisteren van muziek: “Trombones, hoorns, trompetten van rood over oranje naar geel; hobo’s, klarinetten en fluiten variëren van donkerbruin over olijfgroen en donkergroen naar licht-geelgroen; cello’s van rood of bruinviolet tot blauw en purper. Violen kunnen alle kleuren uitdrukken, die dan altijd gemengd zijn met zilver en grijs. Beethoven werkt veel met rood, maar ook met purper, violet en prachtig groen, zilver en grijs, terwijl Chopin duistere kleuren oproept.”

Vanaf het expressionisme pogen beeldend kunstenaars een muziekbelevenis uit te drukken of een klankwereld in beeld te brengen. Zoals klanken en tonen via het oor op ons inwerken en ons in een bepaalde stemming brengen, zo doen kleuren dat ook. Het ontstaan van de abstracte kunst was ondenkbaar geweest zonder parallellen met muziek. Schönberg die, met zijn muziektheorieën, bijdragen leverde aan de almanak van Der Blaue Reiter, zette met zijn twaalftoonsysteem kunstenaars - in hun zoektocht naar het immateriële - ertoe aan, alle voorstelling in het schilderij los te laten. Hij zocht naar een schoonheid die haar ontstaan ontleent aan wat de kunstenaars van Der Blaue Reiter ‘innerlijke noodzaak’ noemden. Om dit doel te bereiken heiligde Schönberg alle hem ter beschikking staande middelen. In zijn harmonieleer predikte hij dat elke samenklank mogelijk is, juist waar tonen dissoneren. Kandinsky bijvoorbeeld herkende in de tegenstrijdigheid van klanken een evenwicht. Hij beeldde dit uit door contrasterende kleuren naast elkaar te plaatsen en noemde dit harmonie.

Buiten zinnen

Beeldend kunstenaars, componisten, schrijvers; ze leven bij de gratie van publiek. Sommigen zijn slechts op zoek naar erkenning. Anderen zoeken de wisselwerking, de communicatie, de klank. Ongeacht de omvang van hun publiek. Ongeacht ontberingen of eenzaamheid. Kijk maar naar een schilder als Kandinsky wiens doeken, in zijn tijd, in de pers als idiotisme werden afgeschilderd. De kunstenaar, die zijn doel van de pure abstractie steeds dichter naderde, zag zich in toenemende mate verkeerd begrepen en in de verdediging gedrukt. In een essay uit 1914 reageerde Kandinsky op de kritiek: “Ik wil geen muziek schilderen. Ik wil geen geestelijke toestanden schilderen […] Ik wil geen stip veranderen aan de harmonie van de meesterwerken van vroeger of ze bestrijden of omvergooien.” In zijn inleiding tot ‘Über das Geistige in der Kunst’ zegt hij: “Iedere periode van een beschaving schept een kunst die haar eigen is en die men nooit herboren zal zien worden. Proberen de principes van de kunst van voorbije eeuwen te doen herleven kan slechts leiden tot een productie van doodgeboren werken. […] Werken die zo zijn ontstaan missen voor altijd een ziel.

In hun streven naar het immateriële, het abstracte en de innerlijke natuur, naderden de verschillende kunstvormen elkaar steeds dichter. Muziek werd steeds meer een synesthetische ervaring, waarbij niet alleen het oor maar ook de andere zintuigen werden aangesproken. Over het woord ‘zintuig’ zegt Van Dale: “Het woord is vermoedelijk gemaakt om verwarring met het woord ‘zin’ te voorkomen; elk van de organen waardoor prikkels uit de buitenwereld in gewaarwordingen worden omgezet en waardoor zij kennis van die wereld krijgen; volgens de gangbare opvatting heeft de mens vijf zintuigen; de smaak en de reuk worden aangeduid als de chemische of primaire zintuigen; hij heeft een zesde zintuig, het vermogen tot bovennatuurlijke waarneming (meestal oneigenlijk gebruikt), een bijzonder, geheimzinnig talent.” Wij kunnen ons afvragen of de vroege abstracte kunstenaars - waar zij spraken over het ‘onzichtbare’, het ‘immateriële’ of ‘vibraties van de ziel’ - nadachten over zintuigen en of zij zich bewust waren van een zesde zintuig, waarmee de grenzen van het zichtbare, hoorbare en tastbare worden overschreden. Zeker is dat de moderne mens - niet in de laatste plaats de kunstenaar - gelooft dat er meer is tussen hemel en aarde.

Op Internet vond ik de volgende tekst over Marten Randa, een beeldend kunstenaar die, in 2002, deelnam aan een atelierroute in de provincie Groningen:
“De werken van Marten Randa ontstaan spontaan met veel dynamiek. Impressies en emoties worden in kleur en vorm vertaald. Door middel van deze kleurentaal worden onzichtbare maar rondom ons aanwezige gevoelens, vibraties of energieën, zichtbaar gemaakt. De fascinatie van intermenselijke reacties blijft steeds boeien. Als ook de toeschouwer iets van deze gevoelens herkent, is het doel bereikt. Marten Randa laat zich inspireren door de kunstenaars Kandinsky, Brands, de Kooning en de psychiater Jung. Van puur figuratief ontwikkelde hij zijn eigen stijl die het beste omschreven kan worden als: van lyrisch abstract tot abstract.”

Voor Franz Marc en zijn collega-kunstenaars was het doel van alle kunsten gelijk: het wezen van mens en wereld zichtbaar maken. In het werk van de hedendaagse kunstenaars zien we hoe zij zich blijvend laten inspireren in hun wens het onaardse, het wezenlijke tot klinken te brengen.

© Ingrid van den Bergh
Oosterhout 2004