De kunstenaar en de waarneming


Rob den Boer


Speelt de waarneming van de kunstenaar een rol bij de ontwikkeling van de vormen en beelden die ons dagelijks omringen, en die als eindproduct vaak dienen als gebruiksvoorwerp? Of zit hij teruggetrokken in zijn atelier zijn eigen briljante vormentaal te scheppen? Over de kunstenaar die zoekt, vindt en inspireert.


In ons dagelijks leven komen wij voortdurend in aanraking met vormen en beelden die voortvloeien uit de waarneming van de kunstenaar. Soms grijpt de oorsprong van die waarneming (heel) ver terug. In de jaren twintig van de vorige eeuw ontwikkelden voortrekkers als Frank Lloyd Wright, Gerrit Rietveld en Mies van der Rohe de eerste concepten met als uitgangspunt vorm-volgt-functie. Het uiterlijk van hun architectuur werd bepaald door de indeling van binnen waarin de gebruikers optimaal konden functioneren. We leerden heel anders naar architectuur kijken. Tegelijkertijd bewogen de toegepaste en autonome kunsten mee in deze richting. Bijvoorbeeld, een beker is er om uit te drinken en de vorm volgde dat gegeven. In de autonome kunst werden academische dogma's over indeling, kleurgebruik en anatomie doorbroken. Mondriaan, Malewich en de kunstenaars van het Bauhaus waren de belangrijkste voormannen die 'tools' ontwikkelden waarmee de kunstenaar op autonome wijze uiting kon geven aan zijn interpretatie van de waarneembare werkelijkheid. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de autonome kunst zich verder in de richting van de conceptuele kunst waarbij het idee belangrijker werd dan de uitwerking. Dat ging zover dat Donald Judd als een van de eerste beeldhouwers zijn werk door vaklieden liet (af)maken.

Gedurende de gehele twintigste eeuw heeft dit nieuwe denken over de basisstructuren van de autonome en de toegepaste kunst ervoor gezorgd dat de visuele wereld om ons heen fundamenteel is veranderd. Daarbij werd door de pionierende kunstenaars en denkers op dit gebied ook geanticipeerd op de grote maatschappelijke veranderingen die zich tegelijkertijd afspeelden in de meeste Europese landen. Het invoeren van het algemeen kiesrecht en het vrouwenkiesrecht aan het begin van de twintigste eeuw, was een opmaat voor het verlaten van de klassenmaatschappij naar een individuele samenleving met gelijke rechten voor iedereen, zoals die zich vanaf de jaren zestig aandiende. De ontwikkeling van nieuwe ideeŽn over architectuur en vormgeving was sindsdien meer gericht op het algemeen verbindende dan op het uitzonderlijke. Een kantoorgebouw met een statige gevel werd weg genivelleerd tot een kubusvorm met een democratische deur, liefst ergens in de parkeergarage, net groot genoeg om een mens door te laten. Er ontstonden sociale structuren die als uitgangspunt werden genomen voor nieuwe vormen van architectuur. Een voorbeeld hiervan waren flatgebouwen waarin ieder gezin op zichzelf woonde, maar de voorzieningen, zoals de wasruimten, gezamenlijk waren zodat de mensen elkaar leerden kennen en met elkaar zouden gaan leven. De 'strokenbouw' in de Bijlmer in Amsterdam en in het Plan Voisin (Ville Contemporaine) uit 1925 van Le Corbusier zijn ook goede voorbeelden van structuren met veel gemeenschappelijke ruimten. Het Plan Voisin werd nooit uitgevoerd maar ideeŽn daaruit werden gebruikt in kleinere projecten van de grote meester, zoals 'Unite d' habitation' in Marseille (1947-1952). De flatblokken stonden op pilaren zodat de begane grond gebruikt kon worden voor infrastructuur. Onder meer door veel groenvoorzieningen aan te leggen en effectieve oplossingen voor het toenemende verkeer te bedenken, wilde hij de stad weer leefbaar maken.

De kunstenaar speelt in dit proces een belangrijke aanjagende rol. Dat doet hij vaak zonder daar bewust mee bezig te zijn. Hij krijgt meestal ook niet de 'eer' voor de ontwikkelingen die daardoor in gang worden gezet. De kunstenaar zoekt, graaft, wringt en wurmt in zijn werkruimte, meestal op een plek ergens in de donkere hoeken van de samenleving en bekommert doorgaans zich niet om de 'vermarkting' van zijn bevindingen. Het zijn andere mensen die de weg weten in deze donkere hoeken, die het potentieel van nieuwe beeldtaal begrijpen en kunnen omzetten in een hanteerbaar product dat schittert in het licht van de dagelijkse werkelijkheid.

Door zijn opleiding (via scholing of autodidact) is de kunstenaar sensibeler voor de beelden die hij waarneemt in de waarneembare werkelijkheid. Die sensibiliteit uit zich vooral in herkennen van individuele vormen in een groter geheel. Bijvoorbeeld, niet alle bomen in een bos zijn hetzelfde. Iedere boom heeft zijn eigen beeldende kenmerken. Een tweede onderdeel van het creatieve proces waar de kunstenaar door zijn opleiding en ontwikkeling toe in staat is, is het vertalen van deze waarnemingen naar een sterk beeld. In dat sterke beeld brengt de kunstenaar naar zijn behoefte een ervaring, een gevoel, een idee of misschien zelfs een boodschap over. Het maakproces is daarbij heel erg wezenlijk omdat de kunstenaar meestal niet (bewust) bezig is met diegenen die als beschouwer naar zijn werk kijken.

Kunstenaar zijn is een vak. Een vak kies je of je komt er in terecht op grond van factoren als aanleg, opvoeding en persoonlijke ontwikkeling. Door scholing en/of zelfontwikkeling word je steeds beter in dat vak. Onderdeel van het 'vak' kunstenaar is het interpreteren van waarnemingen in de waarneembare werkelijkheid, die voortdurend verandert, en vormen te vinden om de al genoemde vertaalslag te maken naar een sterk beeld. Hij voegt iets toe aan de waarneembare werkelijkheid. Daarin verschilt de kunstenaar van de ambachtsman, die een eindproduct maakt volgens algemeen aanvaarde regels van goed 'vak'-manschap. In deze tijd van conceptueel denken in de kunst is het zelfs heel goed denkbaar dat het uiteindelijke beeld dat door de kunstenaar is gedacht door de ambachtsman wordt gemaakt.

De door de kunstenaar gegenereerde inzichten zijn voer voor diegenen die een ander vak beheersen. De designer, de architect, de reclameman, allemaal zijn ze bezig met het vormgeven en vermarkten van inzichten die door kunstenaars naar de maatschappij zijn 'toegetrokken', omdat deze daar immers onderdeel van uitmaken. Deze beroepsgroepen beÔnvloeden op hun beurt de kunstenaar in zijn denken over het gestalte geven aan zijn waarnemingen uit de waarneembare werkelijkheid. Neem bijvoorbeeld de invloed van de architectuur op beeldend kunstenaars als Franz Kline die zijn krachtige zwarte lijnen op een witte ondergrond niet alleen aan Oosterse kalligrafie ontleende maar ook aan in onbruik geraakte stalen fabrieksinstallaties, bruggen en stations uit het New York van net na de Tweede Wereldoorlog.

Kunstenaars zijn hard nodig in een maatschappij waarin voortdurend heen en weer schuivende beroepssectoren elkaar beÔnvloeden in het interpreteren, vertalen en bewerken van inzichten uit de voortdurend veranderende waarneembare werkelijkheid tot hanteerbare gegevens in de dagelijkse werkelijkheid van de mens. De kunstenaar maakt het voortschrijdende inzicht in onze beeld- en vormentaal zichtbaar door zijn vermogen deze in de waarneembare werkelijkheid te zien en om te zetten in beelden die impulsen geven aan de vormen waarmee wij leven. De afbeelding aan de muur, het dessin in het behang, uw koffiekopje.

Werk van Rob den Boer is te zien op http://www.robdenboer.nl