Visionaire landschappen

van Franz Ackermann


Fons Heijnsbroek


Uit allerlei onverwachte gaten in de geschiedenis duiken van tijd tot tijd geschilderde landschappen op die een te grootse uitstraling bezitten om slechts een gewoon landschap voor ons te kunnen zijn. Ze zijn uit hetzelfde DNA voortgekomen als de gewone landschapschilderijen en ze spreken zelfs dezelfde taal, maar ze zijn in een andere dimensie terechtgekomen, aan de andere kant van de spiegel om het zo maar te zeggen. Ik doel op die geschilderde landschappen die nauwelijks een buitengrens lijken te hebben en toch geen enkele moeite hoeven te doen om zich zelf in toom te houden. Hun schaal is zo immens dat we al kijkend ervan schrikken en volledig in het geschilderde zouden verdwalen wanneer ons niet hier en daar een mannetje of een schoorsteenpijp als reddingsboei voor onze dwalende ogen werd gegeven. Natuurlijk schrikken niet onze ogen, want het is immers de geest die verbindt.

Wat is nou het meest kenmerkende van deze visionaire werken? Ze hebben geen schaal. Want ze zijn zo eindeloos groot en wijds dat we van ons leven niet mee zullen maken om werkelijk in dergelijke landschappen te zullen zwerven. We weten, als we ze voor het eerst bekijken dat we ze heel goed kennen en er eigenlijk ons leven lang al naar verlangd hebben. We weten tegelijkertijd dat we er nooit echt in zullen lopen, wat ons verlangen alleen maar doet opflakkeren. Hun grond verdraagt geen mensenvoeten!En toch bevatten ze onze menselijke maat, de geur van de grond en zelfs onze eigen aanwezigheid in de gedaante van een dakraam, een wandelend mannetje, een molenwiek nauwelijks boven de bomen uit, gelijk aanwezig als het luciferdoosje onder in de foto, bedoeld om onverbiddelijk duidelijk te maken hoe groot alles is of dient te worden gezien. Maar onbedoeld geeft het een menselijke handtekening; we kunnen meteen instappen en alles heeft een ons vertrouwde maat.

De 15e eeuwse Vlaamse schilder De Momper maakte ze. Met zijn fijnzinnige kwast en dunne verfopbreng toverde hij zijn eindeloze landschappen in bijna kleurloze kleuren geheel transparant, zodat de kleurtonen in zijn wijdse doeken blijven schommelen en bewegen en het oog dus niet uitgekeken raakt.
Ik denk ook aan de 16e eeuwse Philip Coninc met zijn Gelderse rivierlandschappen, nog nooit ergens door mensenogen ontdekt, zelfs niet in zijn eigen tijd. In zijn grootse doeken sluipen heimelijk zigzaggende rivieren of weggetjes als groene slangen door het uitgerekte landschap wat we als kijker vanaf een plateau of een half heuveltje mogen zien. Zijn zwenkende rivieren rekken het landschap uit tot eindeloos diepe vergezichten waarin geen mens zijn weg kan bepalen.

Rembrandt blijkt in dit onderwerp ons wegwijzer te zijn; hij waardeerde Philip Coninc hoog, evenals zijn visionaire stadsgenoot en collega Seghers van wie hij meerdere prenten in eigen bezit had. En veel later werd Rembrandt op zijn beurt herkend door Soutine, maar daarover straks.De zigzaglijnen van Philip Coninc zijn in de minutieuze prenten (meestal druksels, en hier en daar een schilderij zoals er één in het Mauritshuis hangt) van Hercules Seghers kruipende, heen en weer draaiende contourlijntjes van boomkruinen, heuvelranden of struikgewas die draaien en trillen als torretjes op een droge zandweg. En in die zee van ruisende begroeiing ontdekken we, als we van heel dichtbij kijken, onverwacht veel lopende mensjes, verdonkeremaand in het groeisel van de heuvellandschappen die Seghers aan het licht van zijn Amsterdamse venster zo graag in elkaar toverde.

aan het licht van zijn Amsterdamse venster

Na zijn tijd weet ik de visionaire landschappen niet zo snel te vinden in de geschiedenis van het schilderen. Het lijkt alsof realisme en classicisme overdadig bezit nemen van het landschap, en het metafysische verlangen zich ervan afwendt.

Rond 1920-30 schildert Chaim Soutine zijn visionaire landschappen. In dik en woest geschilderde doeken waarin de verfkwast wentelt en draait en het landschap met scheppende handen zijn ruimte neemt, zien we her en der de oude mannetjes op hevig stijgende weggetjes met hun kromme benen naar beneden lopen. Ze lopen rustig, bijna laconiek in de kolkende landschappen die gillen en stuiptrekken met hun snijdende en schokkende perspectieflijnen. Soutine trekt het landschap uit elkaar als een handschoen die binnenstebuiten getrokken wordt en met een blijk van mededogen ook weer terug. Veel kreukels en scheurlijnen als gevolg, want landschappen en handschoenen zijn hier beide niet voor gemaakt.Ook bij Soutine heeft het landschap nog die merkwaardige megaschaal die geen enkele buitengrens wil erkennen, maar met wat kromme beentjes of een verdwaald raamgat toch een menselijke maat bezit. Toch eist bij Soutine de moderne tijd zijn tol van de waarneming. Het ongeschonden, het bergende landschap lijkt definitief gebroken. De grootse diepe ruimtes van de 17e eeuw hebben plaatsgemaakt voor landschappen die aan de bovenkant naar voren hellen en zo onze ogen laten botsen tegen het doek. De panoramische waarneming lijkt vernietigd, de oude metafysische verbinding met het grote rustende land is verbroken. Kubisme en futurisme hebben de werkelijkheid al in vele verschuivende kijkperspectieven opengesneden.

Een visionaire schilder van 60 jaar later zal nog verder moeten gaan. Telelenzen en groothoeklenzen beschieten dagelijks onze ogen met hun moeiteloze bevindingen. En digitaal worden de beelden gerekt en verbogen. Achtergronden worden losgesneden van hun objecten, gemanipuleerd en weer vastgeplakt aan een ander, zonder dat we het merken. Een luciferdoosje is een lachwekkende poging geworden.Het landschap is niet meer vanuit een centrum lineair naar buiten toe uit te trekken. Zulk soort pogingen lijken nutteloos en overbodig geworden, want de ontdekte kosmische lenzen en spiegels bestaan nu ook in onze dagelijkse leven. Zelfs de mummies gaan de scanapparaten in om ze te fileren voor onze ogen. We kunnen als we willen krom kijken!

Bij Franz Ackermann anno 2002 is het visionaire landschap geïmplodeerd. Niets staat meer op zijn plaats. De brokstukken en de geslagen gaten van na de implosie dwarrelen en drijven door zijn doeken. Perspectieven zijn door elkaar geschud, ontzet, verbogen, en kunnen daardoor niet meer verbinden. Elk centrum van waarnemen is leeg of verwoest. Een horizon bestaat niet meer. Er is slechts ruimte in de vorm van lucht.

De dwalende en drijvende brokstukken architectuur worden in de schilderijen van Ackermann gebonden door nietszeggende maar weldadige kleurbanen en -stroken, waarvan me nog steeds onduidelijk blijft wat hun afkomst is. Ze lijken te komen uit het abstracte schilderen. Ze zijn bijvoorbeeld te herkennen in de gouaches van Bram Van Velde. Maar ze doen ook sterk denken aan de golvende lijnen in de zandschilderingen van de Aborigines.

Waar Coninc rivieren gebruikte en Seghers zijn heuvelruggen daar benut Ackermann zijn abstracte kleurbanen die draaien en krullen, rustig en ontspannen. Die energie geven en fleuren met hun kleuren. De drijvende brokstukken van stad of moderne architectuur worden door hen ingevangen en krijgen hiermee desondanks een hechtingsplaats binnen de landschappen, die nauwelijks meer landschap zijn omdat lucht, hemel en water de hoofdrol zijn gaan spelen. Je denkt onwillekeurig aan Malewich die het suprematisme in wezen zag als aëronautiek. Lucht en kosmos spelen de hoofdrol.

Bij Soutine is de handschoen kreukelig en gerafeld. Bij Ackermann is het landschap blijvend binnenstebuiten getrokken. Het slingert en waait in zijn werken zo rococo om ons heen, dat we niet eens meer kunnen vaststellen of we in zijn landschappen staan of erbuiten. Het ene moment niet, het andere wel. Dus zelfs de tijd draait er dol.

Dus zelfs de tijd draait er dol.

Toch fantaseert ook Ackermann zijn landschappen mèt menselijke maat. Geen molens of daklijsten van dijkhuizen, geen wandelende mensjes of akkerranden maar flats en fabriekscomplexen, pretparken, zwembadcomplexen, voor iedereen van onze tijd welbekend en vaak intens beleeft. Complexen, uitgedacht door de menselijke geest en daarna werkelijkheid geworden. Ze drijven door de geïmplodeerde ruimtes over Ackermanns doeken of blijven zwevend boven de grond hangen waar ze merkwaardige kongsies sluiten met verwante moderne bouwsels of met de bindende kleurbanen-beeldtaal die zich door zijn schilderijen weeft.

Dus toch is ook hier binding, en alles heeft een plaats.
Waar Coninc, Seghers of Soutine onze dwalende eenzaamheid binnen het grote landschap invangen met aanreikingen van de natuur zelf, daar doet Ackermanns hetzelfde met verworvenheden uit de schatkamers van het abstracte schilderen. Het geeft te denken. Want wat is dan nog abstract?
Een schilderij heeft leven nodig, want anders sterft het. En het was de natuur in al zijn verschijningen die eeuwenlang het leven aanbood in de West-Europese kunst, tot ver in onze moderne tijd. Ackermanns schilderingen doen ons leven geven, dat is onmiskenbaar, maar niet door ons de bomen of bossen aan te bieden, de vacht van de aarde waarop ook onze eigen voeten moeten staan, want de lucht is voor ons te ijl; onze vleugels vinden er niet voldoende weerstand.
Maar Ackermann tilt zijn fantasieën van de aarde af. Als luchtvloten hangen onze gemaakte bedenksels in de ruimte. Maar onmiskenbaar zit er sterk leven in zijn doeken.De kou en levenloosheid van de kosmos of de azuren lucht blijft bij hem afwezig. En hoe hij dat doet, blijft me een raadsel.

Fons Heijnsbroek

Klik hier voor meer informatie over het werk van Franz Ackermann.