Google +1

Over Entartete / (Entarte) kunst - de kunst die door het nazi-regime in Duitsland vanaf 1934 werd veroordeeld

Ingrid van de Bergh


Onlangs kwam mij het volgende citaat onder ogen: “Ik ga toch niet het verschil maken tussen goede kunst en entartete kunst. Die tijd hebben we gehad.” Door ‘goede’ kunst te plaatsen tegenover ‘entartete’ (entarte) kunst wordt hier gesuggereerd dat goede kunst tegengesteld is aan ‘entartete’ kunst, waarmee ‘entartet’ synoniem zou zijn voor ‘van slechte kwaliteit’. Om meer inzicht te verschaffen in het begrip ‘entartete Kunst’ en in de tijd waarín en de omstandigheden waarónder het zich kon manifesteren geef ik u graag de volgende beschouwing.

Goed, slecht of geen van beide



Of een kunstwerk nou ‘entartet’ wordt genoemd of niet, men kan zich de vraag stellen in welke zin, met betrekking tot kunst, sprake kan zijn van kwalificaties als ‘goed’ en ‘slecht’. Museumbezoekers relateren de kwaliteit van het getoonde werk maar al te gemakkelijk aan de esthetische waarde die dit voor hen heeft. Of kunst ‘goed’ of ‘slecht’ wordt bevonden wordt dan ingegeven door persoonlijke voorkeur, die meestal is gerelateerd aan kwalificaties als ‘mooi’ en ‘lelijk’. Voor sommigen is het verschil tussen goed en slecht enkel gebaseerd op het gegeven of de voorstelling figuratief is dan wel abstract. Ook zijn er kunstbeschouwers die hun oordeel laten afhangen van de eigen associaties bij het door de kunstenaar afgebeelde onderwerp of van diens (gebrek aan) vakmanschap, zonder dat zij oog hebben voor beeldende kwaliteiten als bijvoorbeeld toepassing van kleur en vorm, toets, lijnvoering, ordening, compositie en materiaalbeheersing. De elementen die bijdragen aan een krachtig beeld zijn even talrijk en divers als de kunstenaars op deze aarde. Behalve door de al eerder genoemde elementen kan de kracht van de beelden o.a. worden bepaald door toepassing van perspectief. Maar ook het ontbreken daarvan kan een krachtig beeld bewerkstelligen, bijvoorbeeld in het werk van de naïeven die de vormen vereenvoudigen in combinatie met een expliciet kleurgebruik.


Kwaliteit dient dus niet te worden verward met smaak, dit zijn twee totaal verschillende begrippen, zeker in de kunst. Kunst dient te worden beoordeeld op (al dan niet aanwezige) beeldende kwaliteiten, het onderwerp is daarbij van ondergeschikt belang. Waar de één gruwt van het werk van Egon Schiele (1890-1918) vanwege de genadeloze en rauwe manier waarop de kunstenaar zijn onderwerpen afbeeldt oordeelt de ander op basis van de beeldende kwaliteiten en de wijze waarop deze kunstenaar schoonheid en lelijkheid combineert.


Ideaalbeeld



In de jaren dertig van de vorige eeuw vonden de nationaalsocialisten in Duitsland dat de overheid een mening moest hebben over kunst en kunstenaars. Dit betrof alle kunstuitingen, waaronder beeldende kunst, literatuur, film, theater, architectuur en muziek. De nazi's maakten uit wat 'Duitse' kunst was en wat tot de ‘entartete’, ‘on-Duitse’ kunst moest worden gerekend. Alles wat als links, joods of pacifistisch werd gezien werd verboden. Onder ‘entartete Kunst’ werden alle kunstwerken en culturele stromingen geschaard die onverenigbaar waren met het kunstbegrip en schoonheidsideaal van de nazi’s, kunst die daarmee ook niet dienstbaar gemaakt kon worden aan de nazipropaganda. Vanaf 1937 gold in Duitsland veel avant-gardistisch werk als ‘entartet.’ Het betrof werk afkomstig uit stromingen als impressionisme, kubisme, fauvisme, dadaïsme, expressionisme, surrealisme en nieuwe zakelijkheid, met kunstenaars als Chagall, Kokoschka, Ernst, Schiele, Kirchner, Beckmann en de kunstenaars van Der blaue Reiter.


In de jaren vanaf 1900 richtten kunstenaars als Schlemmer, Kirchner en Schiele zich in hun werk sterk op lichamelijkheid. Ben Vollers schrijft op deze website DeKunsten over de manier waarop de vrouw wordt afgebeeld in het expressionisme: De vrouw in het late werk van Max Ernst


“In het algemeen zou men kunnen stellen dat de vrouw in de expressionistische kunst expressief en heftig (Jawlensky, Kirchner en Nolde), of zacht en poëtisch (Paula Modersohn-Becker, Otto Mueller) wordt afgebeeld, maar nooit glad, burgerlijk of heroïsch zoals in de Nazikunst. Ook ziet men de vrouw wel aan de zelfkant van de maatschappij afgebeeld als hoer (Rouault, George Grosz en Otto Dix), maar eerder grotesk en vaak als slachtoffer van de maatschappij (kapitalisme en oorlog). Iemand als Egon Schiele schildert in zijn naaktstudies man en vrouw lichamelijk bijna identiek, en Apollinisch in 'lelijkheid'. En Nolde beeldde vrouwen nogal eens in zijn werk af als Semitische en Dionysische figuren. Maar de nazi's vonden vooral dat de expressionisten, maar ook andere avant-garde kunst van begin 20e eeuw 'de Duitse vrouw' beledigden, en noemden deze kunst 'entartet'.”


De nazi’s reageerden heftig op de visie van de expressionisten. Zij haatten de erotiek, de benadering van het verval en de pathetiek in de kunst van o.a. Kokoschka en Schiele, met hun verwrongen uitbeelding van seksualiteit. Blijkbaar legden de nazi’s heel andere accenten op de lichamelijkheid dan de moderne kunstenaars. Ze verheerlijkten het lichaam in kracht, elegantie en soepelheid. Aangezien in de strijd om het bestaan de besten zegevieren, moest volgens Hitler een Hitlerjongen 'behendig zijn als een windhond, taai als leder en hard als Kruppstaal'. Een ‘Menschenreserve’ die het voortbestaan van het duizendjarige rijk waarborgde. Bij de meisjes lag de klemtoon vooral op gehoorzaamheid, plichtsbesef, discipline en lichamelijke zelfcontrole. Ze moesten veel dansen en turnen. In de omstreden, tweedelige documentaire Olympia van Leni Riefenstahl staan de Olympische Spelen van Berlijn in 1936 centraal. De documentaire, waarin ook enkele Nederlandse atleten te zien zijn, diende als propagandamateriaal voor de Nazi's. De spelen in Berlijn werden op dezelfde hoogte geplaatst als de klassieke Griekse spelen.


Volgens Hitler moest de Duitse bevolking heropgevoed worden in de geest van het nationaalsocialisme. Om dit te bereiken werden vrijwel alle aspecten van de samenleving gelijkgeschakeld, genazificeerd, waarbij de hele maatschappij werd onderworpen aan de nationaalsocialistische ideologie. De Hitler-Jugend nam de plaats in van de bestaande jongerenorganisaties en de pers werd grotendeels onder controle van de nazi´s gesteld, evenals de radio- en filmwereld. Het avant-gardistische, grootsteedse kunst- en cultuurcircuit dat als ‘on-Duits’ gold werd niet meer erkend maar vervolgd. Demonstratief verbrandden de nazi’s op 10 mei 1933 belangrijke Duitse boeken, voor een deel van wereldvermaarde schrijvers als Thomas Mann, Stefan Zweig, Bertold Brecht en Erich Kästner.


De nieuwe, nationaalsocialistische Duitse kunst moest een kunst zijn van het noords-Arische volk. Universiteiten werden 'gezuiverd’ en kunstenaars moesten lid worden van de Reichskulturkammer, die op 22 september 1933 werd opgericht door Rijkspropagandaminister Joseph Goebbels. De Rijkscultuurkamer moest, onder voorzitterschap van Goebbels, zorg dragen voor de heroriëntering van het artistieke scheppen. Alleen wie van Arische, dus niet-joodse afstamming was en niet door ‘cultuurbolschewistisch’ werk was gestigmatiseerd, mocht zijn beroep blijven uitoefenen. Uitsluiting van de Rijkscultuurkamer betekende voor talrijke democratische en joodse schrijvers en andere kunstenaars een beroepsverbod; het verlies van hun bestaansrecht. Kunst en cultuur waren niet meer autonoom maar werden in dienst gesteld van het naziregime en zijn rassenideologie.


Op de Kulturtagung in 1935 hield Adolf Hitler een rede waarin hij demonstreerde dat, in de korte tijd dat het volk en de staat werden geleid door de nationaalsocialisten, aan het Duitse volk vooral op het gebied van culturele prestaties meer was toegevallen dan in de voorgaande decennia. Kunst moest de verkondigster zijn van het hoogstaande en mooie en daarmee draagster zijn van wat natuurlijk en gezond is. Als zij hieraan niet voldeed was dit een teken van degeneratie en verval. Met dit laatste refereerde Hitler aan de schilderijen en beelden van de dadaïsten, kubisten en futuristen en van de ‘ingebeelde’ impressionisten met hun primitieve manier van uitdrukken.


Aangezien Hitler meende deskundig te zijn op het gebied van beeldende kunst en architectuur greep het nationaalsocialisme ongeremd in artistieke activiteiten in en eiste het de vernietiging van alle moderne en internationale kunststijlen. Daarvoor in de plaats moesten pathetisch heldendom en de Duitse volksziel worden uitgebeeld. Als waardevol in artistieke zin golden alleen werken die zich op het niveau van de nationaalsocialistische ideologie bevonden. Veel acteurs, musici en architecten zagen al spoedig geen mogelijkheid meer hun kunst te beoefenen en verlieten Duitsland. Kandinsky bijvoorbeeld die als Rus en als abstract werkend kunstenaar en Bauhausleraar alles belichaamde wat hem in Hitler-Duitsland ongewenst maakte, ging in ballingschap in een voorstad van Parijs, waar hij er zich overigens over beklaagde dat niemand hem daar kende en waar hij, bij gebrek aan materiaal, aanvankelijk kleine gouaches ging schilderen. Of Beckmann die naar amsterdam vluchtte om daar zijn beroemde mythologische drieluiken te schilderen. Het vertrek van kunstenaars en intellectuelen betekende een enorme aderlating voor de Duitse cultuur. Door de massale uittocht ontstond er geen brede discussie over problemen binnen de kunsten in Duitsland. De maatregelen van de nationaalsocialisten hebben dan ook geen noemenswaardige protestacties uitgelokt. Veel kunstenaars vestigden zich in New-York, dat de nieuwe thuisbasis werd voor ontwikkelingen in de moderne kunst.

Onwelgevallige kunst



In 1934 werden vóór het gebouw van de hoofdbrandweer in Berlijn meer dan 1000 schilderijen en ongeveer 3800 tekeningen openbaar verbrand. Het betrof o.a. werk van schilders en beeldhouwers als Ernst Barlach, Max Beckmann, Otto Dix, Wassily Kandinsky, Paul Klee, Käthe Kollwitz, Max Liebermann en Emil Nolde. Op 19 juli 1937 organiseerde de Rijkscultuurkamer in München (de cultuurhoofdstad, zoals de stad door de nazi’s werd betiteld) een grote tentoonstelling met in beslag genomen ‘entartete’ kunstwerken. Omdat men niet in staat was kunst op andere dan deze gronden te beoordelen, werden aanvankelijk kunstwerken van vooral joodse en van politiek linkse kunstenaars automatisch 'entartet' verklaard. De tentoonstelling was gratis toegankelijk. Onder de titel Entartete Kunst toonden de nazi’s als afschrikwekkend voorbeeld de hun onwelgevallige kunst: werken die niet beantwoordden aan hun ideeën over een edel-Germaanse soldatenmaatschappij. Hier demonstreerden zij dat uitsluitend zij konden bepalen wat kunst was. De tentoonstelling moest aan het begin van een nieuw tijdperk het Duitse volk een algemene indruk verschaffen van het gruwelijke laatste hoofdstuk van het cultuurverval in de laatste decennia voor de grote Wende. Tentoongesteld werd het werk van de meeste expressionisten en abstract werkende kunstenaars, die gekenschetst werden als joodsgedegenereerd of als bolsjewistisch.


De tentoonstelling, die in de grotere steden in alle wijken werd getoond, werd ingericht door de afdeling cultuur van het Rijkspropagandabestuur en was een idee van Joseph Goebbels. De kunstwerken werden door Adolf Hitler persoonlijk uitgezocht. Aan de opstelling van de 650 schilderijen uit 32 Duitse musea was ogenschijnlijk weinig aandacht besteed. Op het eerste gezicht leek de tentoonstellingsruimte op een depot waarin men zo veel mogelijk werken kwijt moest zien te raken. De schilderijen waren uit de lijsten gehaald en hingen dicht op elkaar aan met jute bespannen raamwerken. Op het jute waren de naam van de maker, de titel van het werk en het jaartal genoteerd alsmede de prijs die er oorspronkelijk voor was betaald. Om de kunstwerken belachelijk te maken stonden er uitroepen bij en citaten van Hitler en Goebbels, waarmee de kunstenaars werden bedreigd. De getoonde werken werden gelijkgesteld aan tekeningen van verstandelijk gehandicapten. Ze werden met foto’s van invalide mensen gecombineerd om zo gevoelens van afschuw en beklemming op te roepen bij de bezoekers. Met deze presentatie moest ook de vervolging van onzuivere rassen en politieke tegenstanders worden gelegitimeerd.


Tot april 1941 reisde de tentoonstelling langs twaalf steden in Duitsland en Oostenrijk. Ze trok in totaal drie miljoen bezoekers; een ongekend succes! Aan de tentoonstelling gingen enkele kleinere exposities vooraf die als ‘gruwelkamers’ werden betiteld. In 1938 kwam er een wet die het in beslag nemen van ‘entartete’ kunst regelde, zonder dat er sprake was van een vergoeding voor de kunstenaar of de bezitter. Ook werden destijds in Luzern 125 werken openbaar geveild. In 1939 werden in Berlijn meer dan 1000 olieverfschilderijen en 3000 aquarellen openbaar verbrand.


Gelukkig zijn door toedoen van een aantal kunstminnaars veel ‘entartete’ kunstwerken destijds voor vernietiging gespaard gebleven. Maar er zijn ook veel schilders die moesten toezien hoe hun werk werd verkocht of vernietigd, zoals Emil Nolde (1867-1959), ofschoon deze schilder in het nationaalsocialisme een - op het eerste oog - tweeslachtige rol speelde. Aanvankelijk was Nolde ervan overtuigd dat de Germaanse kunst superieur was aan alle andere kunst en bestempelde hij zijn werk ook als Arisch. Al op twintigjarige leeftijd trad hij toe tot de NSDAP. Ofschoon Nolde’s werk door de nationaalsocialisten werd belasterd (zijn Leven van Christus vormde in 1938 het middelpunt van de propagandatentoonstelling Entartete Kunst) en meer dan 1000 van zijn schilderijen in beslag werden genomen, voor een deel verkocht en deels vernietigd, was pas een schilderverbod in 1941 voor hem aanleiding zich verbitterd terug te trekken in Seebüll. Daar schilderde hij stiekem kleine aquarellen, die hij later als zijn 'Ungemalte Bilder' betitelde.

Emil Nolde,
Der Tanz um das Goldene Kalb,
88x105 cm., 1910.
Een hoogtepunt in kleur en expressiviteit.

Culturele bovenlaag


De belangrijkste ideoloog van het naziregime voor wat betreft cultuur was Alfred Rosenberg. In 1928 werd de nationaalsocialistische Gesellschaft für deutsche Kultur opgericht, met Rosenberg als voorzitter. Uit die organisatie kwam de Kampfbund für deutsche Kultur voort, een van de organisaties die na de Wende in 1933 verantwoordelijk werden voor de Gelijkschakeling. Rosenberg werkte al vanaf de jaren twintig nauw samen met Hitler. Voor de oorlog had hij als ideoloog de taak om kunst en cultuur in te richten naar de nationaalsocialistische principes. Departementen die zich met literatuur bezighielden, met muziek, met beeldende kunst enzovoort hielden het hele culturele leven in hun klauwen. Opgebouwd tussen 1936 en 1940, met uitsluitend personen van naam in de betreffende vakgebieden. Toen de nazi’s vooral in Parijs grote hoeveelheden kunst en muziek aantroffen van uit Duitsland gevluchte kunstenaars, heeft Rosenberg zijn organisatie domweg naar Frankrijk verplaatst. Hij had tot taak een culturele bovenlaag te organiseren voor nationaalsocialistisch Duitsland. Joods bezit mocht zonder meer in beslag worden genomen en ‘entartete’ kunstwerken moesten dienen als afschrikwekkend voorbeeld van wat ‘niet-Arisch’ was.


In het Lexicon der Juden in der Musik waren musici en componisten opgenomen die joods waren; die dus niet meer mochten deelnemen aan het muziekleven en niet meer geprogrammeerd mochten worden voor concerten. Jazzmuziek werd in de jaren twintig ‘negermuziek’ genoemd en zou in Duitsland volgens de officiële ideologie van het nationaalsocialisme ‘entartete Musik’ gaan heten. Net als twaalftoonsmuziek (Schönberg), zigeunermuziek en muziek uit Oost-Europa. In de twaalf jaren van het ‘Duizendjarige Rijk’ schreven de nazi’s met verordeningen en verboden de muziekgeschiedenis om, ontkenden het aandeel daarin van joodse musici en bestempelden hun werk als ‘entartet.’ Uitvoerende musici en componisten werden uit Duitsland en ten slotte uit andere Europese landen verdreven of (in concentratiekampen) vermoord, zoals de Nederlandse, joodse componist Leo Smit (1900-1943). De manuscripten van deze componisten werden vernietigd waarmee hun werk in het vergeetboek belandde. In 1990 werd in Duitsland de vereniging Musica Reanimata opgericht. Deze vereniging heeft als doel de muziek die destijds als ‘entartet’ werd bestempeld uit de vergetelheid te halen en haar in de openbare concerttrajecten te integreren. Tenminste postuum moet aan de betreffende componisten de plaats worden gegund die hen toekomt in de muziekgeschiedenis. Zodoende wordt het hedendaagse publiek in de gelegenheid gesteld hun muziek te beluisteren en er een eigen oordeel over te vellen. Onlangs werd aan de vereniging de ‘Kritikerpreis für Musik der Deutschen Kritiker e.V 2006’ uitgereikt.


Kunst als vijand



‘Entartete’ kunst is niet ontaard of gedegenereerd. De term ‘entartet’ zegt slechts iets over het oordeel van bepaalde groeperingen in een bepaalde tijd. Een oordeel over kunst die niet aan hun ideaalbeeld voldeed. Welke elementen in de moderne kunst van toen hebben de nazi's tot hun beeldenstorm verleid? Realiseerden zij zich dat zij met hun oordeel en handelwijze ook het belang van die kunst erkenden? Uit de manier waarop destijds met de ‘entartet’ verklaarde kunst is omgegaan blijkt hoe diep de haat van machthebbers voor de moderne kunsten kan zijn. Maar kunstenaars mogen er trots op zijn dat hun werk in staat is dergelijke gevoelens op te roepen. Hiermee komt immers aan de oppervlakte wat men in een democratische samenleving geneigd is te vergeten, namelijk, dat kunst het in zich heeft een gevaar te vormen. Maar was het wel haat wat de nazi’s tot hun daden dreef? In het kritische karakter van kunst (de abstracte belichaming van het engagement van de kunstenaar) immers, moeten de nationaalsocialisten een immateriële tegenstander hebben gevreesd. Een moeilijk grijpbare tegenstander bovendien, waarmee zij zich geplaatst wisten voor een vijand die duizend maal moeilijker te bestrijden is dan een vijand met concrete wapens.


Ingrid van den Bergh