JvH, Twee bomen, o/d, 1910, coll.: Gemeentemuseum Den Haag

Jacoba
van Heemskerck

in het Gemeente-museum Den Haag



Ingrid van den Bergh


“Vlam in mij, laai weer op.” Deze regel uit het gedicht Phoenix van Marsman zou van toepassing zijn geweest bij de overzichtstentoonstelling van Jacoba van Heemskerck in het Gemeentemuseum Den Haag. Hier waren zowel schilderijen als glaskunst en houtsnedes te zien van deze tot nu toe ondergewaarde kunstenares. Tijdens de herfst van 2005 werd, met vele bruiklenen uit binnen- en buitenlandse musea, op een zeer uitgebreide wijze het werk van Jacoba tentoongesteld. De tentoonstelling was samengesteld door conservator Hans Jansen en kunsthistorica J.F.A. van Paaschen-Louwerse, en was mede gebaseerd op nieuw onderzoek van laatstgenoemde en A.H. Huussen jr. sinds de laatste expositie over Jacoba van Heemskerck in 1982, eveneens in het Gemeentemuseum Den Haag. Zo is nu pas bekend geworden dat Jacoba van Heemskerck zich vanaf 1916 ging toeleggen op de techniek van glasramen, die het haar mogelijk maakte om directer met kleur en vooral met licht om te gaan.

Tot nu toe bestond de opvatting dat het werk van Jacoba van Heemskerck voornamelijk gevoelsmatig en onsamenhangend is en geen logica bezit. Het onderzoek van de afgelopen drie jaar wijst echter uit dat er wel degelijk een duidelijke artistieke ontwikkeling te onderkennen valt, die vergelijkbaar is met die in het werk van Mondriaan. Beide kunstenaars werden rond 1910 aangeraakt door moderne stromingen als luminisme en kubisme, werkten in Domburg samen en beeldden meer dan eens hetzelfde onderwerp af. En beiden werden geïnspireerd door de antroposofie. Met de nieuwe ontdekkingen - waar de titel van de tentoonstelling: Jacoba van Heemskerck, een herontdekking, zo treffend naar verwijst - kan Van Heemskercks werk, en daarmee ongetwijfeld haar artistieke ontwikkeling, voor het eerst in een andere context worden geplaatst.

JvH, Bild no. 41, o/d, 1916, coll.: gemeentemuseum Den Haag

In de jaren rond 1920 bereikte Jacoba van Heemskerck in de techniek van het brandschilderen en het glas-in-lood een bijzonder niveau. Omdat zij weinig ramen had geëxposeerd (zelfs op de tentoonstelling in 1982 was slechts een enkel stuk glas-in-lood te zien) en als vrouwelijke kunstenaar toch al als minder belangrijk werd gekwalificeerd raakte dit bijzondere aspect van haar werk op de achtergrond. Wellicht is dit een reden waarom aanvankelijk werd aangenomen dat deze kunstvorm maar een zijsprong van Jacoba was. In museale collecties werden haar schilderijen en grafiek wel op waarde geschat, de glas-in-loodwerken kregen geen enkele aandacht. Uit het onderzoek is het belang van dit werk naar voren gekomen.

Jacqueline Paaschen en Hans Jansen lieten hun licht schijnen over de motieven van Marie Tak en de invloed van Mondriaan en de zijnen op de verschillende kunstenaars die destijds naar Domburg kwamen. Op de tentoonstelling van 2005 werd nader ingegaan op de antroposofische achtergronden in het werk van Jacoba van Heemskerck, mede aan de hand van een deel van de ramen die zij in 1921 maakte voor de Marinekazerne in Amsterdam. De ramen werden in 1984 verwijderd, toen het gebouw werd gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Door een oplettende particulier werden ze gespaard voor de slopershamer en stonden enige jaren in kratten opgeslagen bij het Instituut Collectie Nederland, wachtend op een mogelijkheid om gerestaureerd te worden. Op initiatief van het gemeentemuseum Den Haag en mogelijk gemaakt door sponsoren zijn de ramen inmiddels gerestaureerd.

Bij deze tentoonstelling verscheen ook de monografie 'Jacoba van Heemskerck, schilderes uit roeping' ( in de boekhandel verkrijgbaar: uitgeverij Waanders, ISBN 9040090645), waarin het onderzoek van Van Paaschen en Huussen is vastgelegd. Vermeldenswaard is dat A.H. Huussen jr. ook één van de schrijvers was van de tentoonstellingscatalogus van 1982.